Main Menu
  • Home
  • Verslagen
  • Weblinks
  • Contact
  • Werkstuk hooligans
  • Alles over afluisteren
  • Twitter
  • MSN: info@hardcorehooligan.nl
Inlog formulier



  • Wachtwoord vergeten?
  • Gebruikersnaam vergeten?
  • Registreer

Afluisteren

Alles over afluisteren

woensdag, 11 november 2009 18:45 | Geschreven door Argentijn | PDF Afdrukken E-mail

Inleiding

Het is nog maar vijf jaar geleden dat we De muren hebben oren .., een gids tegen afluisteren publiceerden. Schreven we toen dat 'het gebruik van afluistertechnieken een hoge vlucht heeft genomen', vijf jaar later zijn de ontwikkelingen bijna niet meer bij te houden. Op het gebied van communicatie is ondertussen veel veranderd. Het aantal GSM's is explosief toegenomen, het versturen van e-mail is al bijna net zo gewoon als het versturen van een brief, steeds meer mensen surfen over het Internet, videoconferences worden verkozen boven zakentrips en satellieten verzorgen verbindingen over de gehele wereld. Met het veranderen van de communicatiemiddelen verandert natuurlijk ook de mogelijkheid en de manier waarop afgeluisterd kan worden. Volgens berichten in de media lopen politie en justitie technisch flink achter de feiten aan. Veel nieuwe ontwikkelingen in de telecommunicatie zijn op een bepaald moment tot "probleem voor justitie" uitgeroepen. Maar nieuwe telecommunicatiediensten maken het leven van de opspoorder en inlichtingenman over het algemeen alleen maar gemakkelijker. Vooral de ontwikkelingen op het gebied van Internet en GSM zijn hier goede voorbeelden van. Het lijkt er ook erg op dat politie en inlichtingendiensten erop uit zijn om steeds meer af te luisteren. Berichten uit verschllende overlegorganen over aftappen duiden erop dat men de aftapcapaciteit zeer graag wil uitbreiden. Daarbij verkend men het liefst de grenzen van wat mag. Zo staat in het Verslag sectoroverleg justitieel aftappen van 28 september 1998 dat 'afgesproken wordt, dat elke operator een lijst samenstelt waarin wordt opgenomen welke extra's op basis van de huidige stand van de huidige stand van de techniek van de operator kunnen worden geboden bovenop de wettelijke kaders.' Maar niet alleen de technische ontwikkelingen zijn de laatste vijf jaar hard gegaan. Ook de wetten en regels over afluisteren zijn flink aangepast. Opmerkelijk, want één van de conclusies die de Commisie van Traa in 1994 trok uit het parlementair onderzoek naar de opsporingsmethoden die de politie in Nederland gebruikte, was dat er paal en perk gesteld moest worden aan het aftappen van telefoons. Aftappen zou alleen ingezet mogen worden wanneer er sprake is van een reeds gepleegd ernstig misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en dat bovendien een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Tappen vóórdat het misdrijf wordt gepleegd zou alleen mogen worden toegestaan bij personen van wie vermoed wordt dat zij dat ernstige misdrijf gaan plegen.

Wie een blik werpt op de 'aftapmarkt' kan vrij snel constateren dat er weinig terecht is gekomen van deze aanbeveling van de Commissie van Traa. De eeuwige wens van de politie om direct woningen te mogen afluisteren wordt begin 2000 vervuld. Ook de voor de hand liggende eis dat een verdachte zelf aan een gesprek deel moet nemen is uit de wet geschrapt. Verder mag bij een ontdekking op heterdaad de officier van justitie alle gegevens opvragen over het telecommunicatieverkeer van een verdachte in het verleden. Als er een verdenking is dat een groep een ernstig misdrijf voorbereidt, mag justitie personen die deel uitmaken van die groep in de gaten houden. Ook voor de inlichtingendiensten staat er een wetswijziging op stapel. De Binnenlandse Veiligheidsdienst en de Militaire Inlichtingendienst mogen elke vorm van telecommunicatie aftappen, opnemen en afluisteren. Iedereen wordt verplicht met de inlichtingendiensten mee te werken om eventuele versleuteling ongedaan te maken. Deze verplichting geldt ook voor degene die zelf een bericht of bestand versleuteld heeft. Op het moment van het verschijnen van dit boek ligt er een Nota van Wijzigingen van de Wet op de Inlichtingendiensten in de Tweede Kamer. Op het eerste gezicht krijgen de inlichtingendiensten nog meer bevoegdheden op het gebied van afluisteren. Het gaat onder meer om het mogelijk maken van het zogenaamde searchen (verkennen van telecommunicatie aan de hand van frequenties). Wisselende frequenties worden dan afgezocht op zoek naar berichtenverkeer van een bepaalde persoon of organisatie. Daarbij moet het nummer waarvan de betrokkene gebruik maakt nog via searchen worden vastgesteld. Duidelijk is dat deze bevoegdheid vooral wordt gegeven om GSM's met pre-paid cards af te kunnen luisteren. Ook opent deze wijziging de optie om aan de hand van trefwoorden niet-kabelgebonden telecommunicatie af te luisteren. Net als bij het Amerikaanse Echelon-netwerk krijgen de Nederlandse inlichtingendiensten hiermee de mogelijkheid om heel erg veel telecommunicatie af te luisteren. Deze nationale ontwikkelingen worden nog eens geflankeerd door afstemming in Europa. Politie- en justitiesamenwerking is een hot item de komende jaren. In verschillende werkgroepen wordt er druk onderhandelt over de afstemming van opsporingsmethodes, gerechtelijke procedures, uitlevering van verdachten en samenwerking van politieteams. Er is veel aandacht voor zogenaamde cybercriminaliteit en in de werkgroepen overheerst de angst dat criminelen door het gebruik van versleutelde berichten grensoverschrijdend te werk kunnen gaan. De tendens om encryptie te willen verbieden en de afluisterbevoegdheden uit te breiden is dan ook zeer sterk in Europa.

Maar dit boek gaat niet alleen over deze ontwikkelingen. Net als in De muren hebben oren... willen we mensen praktische tips gevn over telecomunicatie. Zo hier en daar is het waarschijnlijk een beetje technisch, maar we hebben ons best gedaan om dingen zo simpel mogelijk uit te leggen. Kennis over hoe er kan worden afgeluisterd kan er toe bijdragen dat de mensen die dat nodig vinden voorzichtiger omgaan met het gebruik van die middelen.

Al gauw zal het bekende 'maar ik heb toch iets te verbergen' of 'zo help je alleen criminelen' argument naar voren komen. Maar wat te denken van bedrijven, NGO's of aktigroepen? Bedrijven als Philips, DSM of Volvo vinden het maar niks als de concurent meeluistert en zo kan beschikken over de ontwerpen van de nieuwste modellen. Beveiliging ligt dan voor de hand, zeker als blijkt dat inlichtingendiensten zich ook op dit terrein begeven. Niemand die zo'n bedrijf daar op aan zal kijken. Ditzelfde recht op privacy is niet meer dan normaal voor Non Govermental Orgganisations (NGO's) en actiegroepen. In de meeste gevallen stellen zij misstanden aan de kaak, die overheden en/of bedrijven liever niet in de publiciteit zien. Veel mensen zijn zich er niet van bewust, maar afluisteren komt dan vaker voor dan verwacht. Maar ook voor de willekeurige Internetter is het prettig om te weten welk gevaar politie en inlichtingendiensten in cyberspace zien. De registratie van data via het Internet kan de komende jaren wel eens en erg belangrijke bron van informatie worden voor de bestanden van politie en inlichtingendiensten.

Luisterrijk beperkt zich tot meer dan De muren hebben oren ... tot afluisteren via telecommunicatie. Direct afluisteren (via zendertjes) komt maar zijdelings aan bod. Ook andere vormen van registratie, of het nu door middel van intelligente camera's of een scale aan chipcards is, bewaren we voor een volgend keer.

 

Afluisteren in Nederland
Afluisteren. Wie doet het tegenwoordig eigenlijk niet? Iedereen legt wel eens zijn oor tegen een muur. Opsporingsdiensten prijzen tappen nog steeds als belangrijk opsporingsmiddel. Presidenten houden (kritische) journalisten in de gaten. Philips levert telefooncentrales aan het buitenland met ingebouwde afluisterapparatuur. Werkgevers generen zich niet als blijkt dat ze de telefoons van hun werknemers afluisteren. En dan de Binnenlandse Veiligheidsdienst natuurlijk. De manier waarop communisten bespied werden, doet het ergste vermoeden over de huidige technische capaciteiten van de Dienst.

De Politie
Als er iets duidelijk is geworden de afgelopen jaren is het wel dat er veel getapt wordt door de politie in Nederland. Uit het onderzoek Tappen in Nederlandblijkt dat afluisteren een geliefde opsporingsmethode is. Werden er in 1986 nog maar 1080 telecomaansluitingen getapt, in 1992 waren het er al 2282. Een jaar later steeg het aantal afgetapte telefoons fiks naar de 3619 aansluitingen. In 1994 volgde dan een lichte daling naar 3284 aansluitingen. Uit Tappen in Nederland blijkt dat de grote vier arrondissementen (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Arnhem) meer tappen dan de andere vijftien bij elkaar. Arnhem voerde wonderbaarlijk genoeg de lijst aan met maar liefst 616 taps in 1993 en 452 in 1994. Afgezet tegen het aantal opsporingsonderzoeken komt Arnhem tot 253 taps per tienduizend zaken. (Den Haag 148, Amsterdam 124 en Rotterdam 104.) Ook de lengte van de taps verschilt nogal per regio. Gemiddeld was de lengte van een tap in 1993 43,5 dagen en in 1994 43,9 dagen. Breda voerde de lijst aan met 68,9 dagen terwijl Assen met 18 dagen hekkensluiter was. De langst getapte lijn in 1993/1994 was 547 dagen. Per strafzaak verschilt het aantal taps ook aanzienlijk: van 1 tot 60, met een gemiddelde van 5,5 taps per zaak. Dat tappen steeds belangrijker is geworden heeft met twee dingen te maken. Om te beginnen is simpelweg het telefoonverkeer flink toegenomen, maar belangrijker is de verandering in de opsporingsgerichtheid van de politie. Ging de politie vroeger pas aan de slag na een misdrijf, tegenwoordig richt zij zich meer op (mogelijke) dadergroepen. Met het toverwoord "georganiseerde misdaad" brengt de politie hele netwerken van organisaties in kaart. En afluisteren is daarbij populair. Maar niet alleen de kentering binnen de politie speelt een rol. De Nederlandse boeven blijken moeilijk hun mond te kunnen houden. In Tappen in Nederland zei een geïnterviewde politieman dat "het net is alsof ze opgepakt willen worden. Ze zijn soms gewoon lui of laks". Vooral beginnelingen in het vak blijken weinig rekening te houden met een mogelijke tap, maar ook professionals vallen vaak door de mand door het gebruik van zogenaamd bedekte termen. Binnen de kortste keren achterhaalt de politie de codes wel. Vrienden en familie zijn vaak funest, ze vertellen over de telefoon vaak veel meer dan de verdachten zelf. Weinig criminelen zijn op de hoogte van het doen en laten van de politie. Effectief is tappen vooral in zaken waar meerdere mensen bij betrokken zijn. Drugszaken scoren het hoogst, maar ook bij heling, diefstal en fraude leveren de taps vaak veel bewijsmateriaal op. Bij moord, bedreiging, omkoping en verkrachting, zaken die vaak alleen worden verricht, levert tappen meestal geen bewijsmateriaal op. Tappen wordt slechts zelden als enig opsporingsmiddel ingezet. Vooral de combinatie met een Observatie Team is populair bij de politie. De getapte informatie kan dan vaak direct gecheckt worden. De laatste jaren wordt er ook vaak gebruik gemaakt van camera's en video en plaatsbepalingsapparatuur. Tappen gaat zoveel mogelijk via een tapkamer. Met de regionalisering van de politie wordt gestreefd naar één grote tapkamer per regio. Bij grote onderzoeken wordt er echter altijd vanuit een eigen tapkamer gewerkt. In 1995 kon de politie 1160 aansluitingen tegelijk tappen. Het is natuurlijk vooral de recherche (tactisch, pro-actief of Kernteam) die gebruik maakt van tappen. De uitvoering ligt meestal in handen van ondersteunende diensten als de Dienst Technische en Operationele Ondersteuning (DTOO), Steunpunten Technische Ondersteuning (STO), Arrestatie Teams (AT's) of Observatie Teams (OT's).

De organisatie van de recherche in Nederland is sinds het Van Traa onderzoek flink in ontwikkeling. Tot die tijd was de recherche in elke regio anders georganiseerd. De enige overeenkomst was dat er regionaal meestal drie niveau's waren: basis- of wijkteams, districtsteams en regionale teams. De afgelopen jaren heeft de nadruk vooral gelegen op de reorganisatie van de regionale recherche. Men heeft er naar gestreefd om te komen tot een vorm waarin de tactische recherche en de ondersteunende diensten zijn vertegenwoordigd. In de meeste regio's is deze reorganisatie nog in volle gang. Afhankelijk van de grootte van een zaak en de prioriteit pakt een afdeling een onderzoek op. De officier van justitie Zware Criminaliteit, de Criminele Inlichtingen Dienst (CID)-officier van justitie, het hoofd tactische recherche en de CID-chef verdeling de te onderzoeken zaken onder de regionale teams en controleren de voortgang. De CID heeft dus een behoorlijk grote invloed op het onderzoek. Slechts een paar regio's hebben een platform waarin voorstellen worden gedaan over te onderzoeken zaken. De basis- en districtsteams pakken hoofdzakelijk zaken aan die direct aan de eigen omgeving zijn gerelateerd; de regionale recherche wordt meestal ingezet tegen de georganiseerde misdaad.

Op een niveau hoger staan de zogenaamde Interregionale Kernteams. Begin negentiger jaren gestart met het inmiddels meer dan beroemde IRT Noord-Holland/Utrecht zij er momenteel zes kernteams: Noord-Oost Nederland, Randstad Noord en Midden, Zuid, Rotterdam, Haaglanden en Amsterdam. In de Kernteams zitten niet alleen tactische rechercheurs, ook de Criminele Inlichtingen Dienst, de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) en medewerkers van Recherche Informatie Bureau's (RIB's) zitten in de teams. In een aantal teams (Zuid en Noord-Oost Nederland) is de Binnenlandse Veiligheidsdienst opgenomen, in een aantal andere teams zitten ook de Economische Controledienst (ECD) en/of de Koninklijke Marechaussee (KMAR). De meeste teams hebben een eigen Observatie Team. De Kernteams zijn meestal met meerdere zaken tegelijk bezig, afhankelijk van de grootte van het onderzoek zo'n één tot zes. De prioriteiten van de zaken worden bepaald in het Coördinerend Beleidsoverleg en in de vergadering van de procureurs-generaal. Binnen de Kernteams is er een verdeling gemaakt naar etnische achtergrond en/of soort van georganiseerde criminaliteit. Zo richt bijvoorbeeld het IRT Noord Oost Nederland zich op mensensmokkel en Oost Europa en het IRT Zuid zich bijna volledig op de bestrijding van XTC.

De Criminele Inlichtingendienst
Met de blik op de bestrijding van georganiseerde verbanden is de politie zich steeds meer op het milieu van mogelijk criminelen gaan richten. Dit pro-actieve recherche werk heeft zich in tien jaar tijd tot een geheel eigen bedrijfstak binnen de politie ontwikkeld: de Criminele Inlichtingen Dienst, waarvan elke regio er één heeft.
Officieel is de taak van de CID het "systematisch en gericht gegevens over ernstige criminaliteit en de potentiële daders daarvan te registreren". In de praktijk wordt onderscheid gemaakt tussen twee groepen: CID-subjecten en "grijze veld-subjecten". CID-subjecten zijn diegenen (of rechtspersonen), waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij of zij betrokken is bij misdrijven die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde. De term "grijze veld-subjecten" zegt het eigenlijk zelf al, dat zijn diegenen van wie nog niet is vastgesteld dat ze CID-subject zijn, maar waarover de CID wel gegevens verzamelt om vast te stellen of ze dat kunnen worden. De werkwijze en invloed op het opsporingsonderzoek van de CID's is tijdens het parlementaire enquête onderzoek naar opsporingsmethoden door de Commissie van Traa grondig onderzocht. Niet alleen de CID Kennermerland kwam er daarbij slecht af. De algemene conclusie van Van Traa was dat "de CID's in een deels zelf getrokken vacuüm werden gebracht door het gebrek aan sturing en controle, wat in hoge mate heeft geleid tot onverantwoorde autonomie van handelen". Naast infiltratie, werken met informanten, opzetten frontstores en doorvoeren van drugs bleek tijdens het van Traa onderzoek afluisteren een belangrijk middel te zijn van de CID's en de IRT's. De Commissie Kalsbeek, die in juni 1999 de voortgang van de Van Traa-conclusies onderzocht, constateerde dat er nog steeds verschillende opvattingen heersen over de taak van de CID. Sommige korpsen laten de CID niet meer doen dan het runnen van informanten en het registreren van deze gegevens (bijvoorbeeld Amsterdam en Haaglanden), terwijl andere korpsen de CID een belangrijke taak geven in de pro-actieve opsporing. Die CID's veredelen hun eigen informatie met andere bronnen en starten vaak opsporingsonderzoeken. Wel is in een aantal regio's het autonoom handelen teruggebracht en maakt de CID een integraal deel uit van de recherche-organisatie. In Rotterdam-Rijnmond bijvoorbeeld is de CID volledig gecentraliseerd en probeert men een strikte scheiding aan te houden tussen informatieinwinnen en -uitwisselen. Maar niet alle regio's hebben de Van Traa conclusie verwerkt. In Limburg-Zuid is de CID nog steeds decentraal geleid, wat de controle en sturing ingewikkeld maakt. De Van Traa-commissie ontdekte al dat de CID zich hoofdzakelijk richtte op drugscriminaliteit. Vier jaar later is daar volgens de Commissie Kalsbeek weinig aan veranderd. De CID schijnt er bijvoorbeeld nauwelijks in te slagen om informatie te verkrijgen op het gebied van onderwerpen als fraude en milieu. Lukt het al eens een keer dan wordt er door de tactische recherche weinig mee gedaan. Alleen met het onderwerp mensensmokkel schijnt het nog wel te lukken.

De Regionale Inlichtingendienst (RID)
Naast de CID heeft elke regio ook een Regionale Inlichtingen Dienst, die hetzelfde werk doet als de CID, maar dan gericht op politiek activisten en buitenlanders. Er werken zo'n 130 RID'ers fulltime in Nederland. Bijzonder aan de status van de RID is dat het een dienst is met twee petten: BVD en politie. Voor de BVD zijn de RID'ers de ogen en oren in de regio, voor de politie vergaren ze inlichtingen over de regionale openbare orde. Aan de ene kant hebben de RID'ers geen opsporingsbevoegdheid (Wet op de Inlichtingendiensten) en aan de andere kant juist wel (Politiewet). Op grond van beide wetten hebben de RID'ers ook heel andere bevoegdheden, zie hoofdstuk ... Er zou dan ook eigenlijk een hele strikte scheiding moeten zijn in het uitoefenen van verschillende taken. Via de Wet op Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten mag een RID'er namelijk veel meer afluisteren dan op grond van de Politiewet zou mogen. Dat die scheiding schijn is bleek in 1993 toen de Registratiekamer de bestanden van de Nijmeegse RID onderzocht. 'In een gegevensbestand met betrekking tot extreem-rechts, dat was aangelegd ten behoeve van openbare ordewerk, vielen de onderzoeker de nodige hiaten op. Een RID medewerker vertelde hem dat het voorkwam dat gegevens, op het moment dat men het nodig achtte, verhuisde naar de BVD-bestanden'. De Commissie Kalsbeek constateerde dat ook in 1998 deze scheiding nog steeds niet gerealiseerd was. "Formeel zjn de taken strikt gescheiden; feitelijk lopen zij door elkaar heen. Het is de vraag of de kennis bij de RID gescheiden kan worden in informatie voor de BVD-taak en informatie voor openbare orde-aspecten. Van een strikte scheiding van de informatie die deze verschillende methoden oplevert kan nauwelijks sprake zijn".

De Dienst Technische en Operationele Ondersteuning (DTOO)
Voor de technische ondersteuning moeten de rechercheteams een beroep doen op specialisten. Er is een landelijk overkoepelende dienst: de Dienst Technische en Operationele Ondersteuning. Deze dienst, ook wel de "sectie Stiekem" genoemd, is een onderdeel van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD). Daarnaast zijn er de zogenaamde Steunpunten Technische Ondersteuning (STO), die eenvoudige aanvragen afhandelen. "Van dranghekken tot peilzenders", zo omschreef het voormalig hoofd van de DTOO,A.A.M. Hellemons voor de Commissie van Traa zijn dienst. De honderd man sterke dienst verdeelt zijn werk evenredig over recherchezaken (peilzenders, camera's, afluisterapparatuur) en algemene politieondersteuning (dranghekken, verkeer, ME, milieu en rampenbestrijding). De apparatuur waarover de DTOO beschikt is zeer verfijnd. Met een jaarbudget van 6,5 miljoen gulden kan de DTOO de regio's bijstaan met geavanceerde plaatsbepalingssystemen (eventueel voor wereldwijd gebruik), videocamera's (zéér klein), richtmicrofoons, zendertjes, uitvoeren van inkijkoperaties, en veiligheidsonderzoek (sweepen). Het arsenaal is volgens Hellemons zo goed dat de dienst in vergelijking met de criminelen niet op achterstand staat. Sinds 1992 heeft de dienst een tactisch team dat inkijk- en plaatsingsoperaties uitvoert. Technische zaken die niet al te ingewikkeld zijn en niet te geavanceerd of te duur worden door de Steunpunten Technische Ondersteuning (STO) afgehandeld. Sommige regio's beschikken maar over een paar mensen, andere zijn wat groter. Ook de beschikbaarheid van technische apparatuur is niet in elke regio hetzelfde. Om de regio's in de toekomst zelfstandiger te laten werken heeft het onderwerp "techniek" een vaste plek op de Rechercheschool te Zutphen gekregen. De inzet van technologie moet niet beperkt blijven tot de Secties Technische Ondersteuning en tot opleidingen als Observatie, maar wordt geïntegreerd in het hele recherchewerk. Naast de DTOO voert in ieder geval ook het arrestatieteam Amsterdam Amstelland inkijkoperaties en plaatsingsoperaties uit. Tijdens het Van Traa onderzoek bleek ook de BVD jarenlang als een soort uitzendbureau te hebben gewerkt voor de politie. Als het de DTOO aan kennis ontbrak werd de BVD erbij gehaald om de inkijkoperatie uit te voeren. (Zie verder de paragraaf over de BVD)

De Observatie Teams (OT's)
Deze teams hebben als taak om criminele personen te observeren en te volgen. Ze werken altijd in opdracht van een tactisch rechercheteam, hoewel ook de CID en de BVD OT's inzetten in hun verkennende onderzoeken. OT's worden vaak in combinatie met afluisteren ingezet. Informatie die over de telefoon of door de ether gaat wordt gecheckt door de OT's of helpt hen bij het volgen van verdachte personen. Tegenwoordig wordt er veelvuldig gebruik gemaakt van camera's om de volgacties op te nemen, maar ook om de inzet van personeel te verminderen. Het plaatsen van deze apparatuur gebeurt dan door de DTOO of de STO

Methoden & Technieken
Zoals al eerder gezegd is, wordt er heel veel afgeluisterd. In de Interregionale Kernteam-onderzoeken worden verdachten soms jarenlang afgeluisterd. Het Urka-dossier bijvoorbeeld bevatte honderden pagina's tapverslagen. Vaste telefoons, mobiele telefoons en ook telefooncellen worden, als de politie het nodig vindt, getapt. Bij de invoering van het mobiele telefoonnetwerk ATF gebruikte de politie scanners om de gesprekken van verdachten te kunnen oppikken. Tegenwoordig moeten de providers van mobiele telefonie een aftapmogelijkheid inbouwen in hun systemen, anders krijgen ze geen vergunning (zie hoofdstuk ...). Het afluisteren van openbare telefooncellen komt ook voor. Soms leidt dat tot een onverwachte toevalstreffer. Het overkwam de politie van 's Gravenhage. In een poging een organisatie op te sporen die op grote schaal coke importeerde luisterden de Hagenezen een aantal cellen in de directe omgeving van de verdachten af, nadat ze gemerkt hadden dat de verdachten daar regelmatig gingen bellen. Wat schetste de verbazing toen op een dag iemand de telefoon gebruikte om een aanslag op een groothandel in vlees op te eisen. Gecombineerd met de observatie die er plaats vond, had men een spoor gevonden in een heel andere zaak. Mede als gevolg hiervan werden na een tijd twee dierenrechtenactivisten van hun bed geplukt.

Infiltranten
Naast het veelvuldig gebruik van telefoontaps blijkt de politie een grote voorkeur te hebben voor het zogenaamde direct afluisteren. Hierbij worden microfoons in de af te luisteren ruimte geplaatst. Nu is het nog wettelijk verboden om gesprekken van anderen op te nemen, alleen gesprekken waar zelf aan wordt deelgenomen mogen worden opgenomen. De enige uitzondering hierop is de BVD, die na een machtiging van vier ministers wel alle gesprekken op mag nemen. In de Wet Bijzondere Opsporingsmethoden is direct afluisteren wel geregeld. Deze wet zal waarschijnlijk eind 1999 in werking treden. Het direct afluisteren gebeurt vooral in combinatie met infiltratie. Wettelijk is er dan niks mis volgens de politie, want het gaat dan immers om "eigen" gesprekken die opgenomen mogen worden. Ter bescherming van de infiltrant, informant of pseudo-koper verschijnt de informatie in het proces-verhaal op geheel andere wijze. Soms gewoon als anonieme tip, maar meestal wordt de informatie via een U-bocht opgewaardeerd. Uit het Van Traa onderzoek bleek dat betrokken (politie)infiltranten bij andere CID's werden ingeschreven als betrouwbare (burger)informant. Zo viel niet te achterhalen waar de bron van informatie lag. In een aantal rechtszaken hebben politie-infiltranten zelfs verzwegen dat ze in werkelijkheid politie-infiltrant waren. Rob Meerman geeft in zijn boek De Infiltranteen aantal voorbeelden van de grensverleggende praktijk van het tappen van "eigen" gesprekken van infiltranten. "Ruimten waarin gesprekken tussen een infiltrant en een verdacht persoon zullen plaatsvinden worden van te voren geprepareerd. Er worden twee microfoons geplaatst die worden verbonden met een bandrecorder. Op deze manier kunnen de twee begeleiders van een infiltrant een gesprek live volgen. ..... Verder zijn de auto's van infiltranten altijd voorzien van geavanceerde apparatuur."

Hoorn van de haak
In een aantal opsporingsonderzoeken had de politie geluk, tenminste dat werd er voor de rechtbank beweerd. Bij een aantal telefoons die werden getapt, lag zo af en toe de hoorn naast de haak. In de tapkamer zaten ze te smullen, want je hebt meteen een directe open verbinding naar het huis van de verdachte, direct afluisteren avant la lettre. In de rechtszaken werd door veel verdachten bij hoog en laag beweerd dat de telefoon helemaal niet naast de haak lag. Met andere woorden, de politie haalde een technisch truukje uit en creëerde zelf de open lijk. Technisch blijkt dat inderdaad te kunnen, hoewel de kwaliteit van de gesprekken wel tegen valt. In de huidige ISDN systemen (zie hoofdstuk ) is dat wel anders; wie even niet oplet heeft zo een directe verbinding met de tapkamer. Tijdens het van Traa-onderzoek hebben zowel teamleiders van IRT's als medewerkers van CID's ontkend de 'hoorn van haak' methode te hebben gebruikt. Het verhaal van de opnames van de eigen informanten/infiltranten brengt het 'hoorn van de haak' verhaal in een ander daglicht. In alle grote drugszaken is er namelijk wel sprake van meerdere informanten/infiltranten. Het 'hoorn van de haak' verhaal is waarschijnlijk één van de constructies om deze infiltranten af te dekken. Ondertussen waren ze wel in staat om gesprekken waar ze zelf bij aanwezig waren geheel op te nemen. Andere optie blijft natuurlijk dat ze de hoorn een zetje hebben gegeven, waardoor deze toch van de haak lag.

Van terrasjes ..
In het Van Traa onderzoek kwam naar boven dat de politie de grens van het direct afluisteren langzaam maar zeker aan het oprekken was. Uit het verhoor van de Amsterdamse officier van justitie J. Koers blijkt er af en toe geëxperimenteerd te zijn met direct afluisteren. De redenatie was dat als je op een terrasje naast iemand zit, je ook flarden van een gesprek kan opvangen, dus waarom als politie niet. In zijn verhoor voor de commissie van Traa verklaarde Koers, dat "we een keer hebben geprobeerd op een terras met geluidsboxen een gesprek af te luisteren. Daarbij is de redenering toegepast, dat de wet verbiedt in een gesloten ruimte met technische hulpmiddelen een gesprek op te nemen; dit is niet een gesloten ruimte; wij kunnen eens kijken of het lukt. Dat was voordat het nieuwe wetsvoorstel direct afluisteren in de Kamer aanhangig is gemaakt". Op de vraag van de commissie hoe de legitimiteit was gewqwarborgd antwoorde Koers dat "het criterium was, dat het niet expliciet verboden was. Ik heb in dat specifieke geval voor mezelf de afweging gemaakt, of ik dat in een grote drugszaak voor mijn verantwoording kon nemen. Ik heb dat gedaan omdat het niet strafbaar was. Het is echter geen in de strafvordering opgenomen bevoegdheid".

.. tot woningen.
Ook draaiden de diverse IRT's hun handen er niet voor om, om tegen de regels in ook direct in woningen verdachten af te luisteren. Volgens de van Traa onderzoekers bleef dit beperkt tot zaken die de politie en het Openbaar Ministerie als zeer ernstig beschouwden. Als voorbeeld beschrijft de Commissie van Traa het onderzoek naar de daders van een gewelddadige moord op een bejaarde vrouw. Bij dat onderzoek werd afluisterapparatuur geplaatst in een woning om in een aangrenzende woning de gesprekken van een verdachte te kunnen afluisteren. Een ander geval is een gijzelingszaak. Een uit Duitsland afkomstige Turk werd daarbij gegijzeld in een hotelkamer. De politie prepareerde een kamer met afluisterapparatuur waar de onderhandelingen plaats zouden vinden. Nog een ander geval is het direct afluisteren van een gevangene die verdacht werd van drugssmokkel. Het bezoek van een medeverdachte werd helemaal op tape vastgelegd. Ook de Arrestatie Teams blijken af en toe gebruik te maken van de technische mogelijkheden om direct te kunnen afluisteren. Volgens de chef arrestatieteam Rotterdam-Rijnmond gebeurd dat alleen in noodsituaties, zoals gijzelingen en ontvoeringen. Volgens Broere maken de AT's daarbij ook gebruik van camera's om te kunnen zien wat zich binnen afspeelt.

De toekomst
De Eerste en Tweede Kamer zijn inmiddels akkoord gegaan met het toestaan van direct afluisteren. De DTOO bereidt zich voor op het invoeren van een wettelijke regeling rondom direct afluisteren. Volgens de Algemene Maatregel van Bestuur, momenteel nog in voorbereiding, wordt de DTOO de enige dienst die directe afluisterapparatuur mag plaatsen. Het plaatsen van een zendertje in een woning is delicaat werk. Naast het zelf inbreken, zal de DTOO vooral afhankelijk zijn van het meeliften met anderen of het onder valse voorwendselen betreden van een woning. Een laatste methode is het inbouwen van afluisterapparatuur in meubels die een woning in (of in en uit) gaan, een methode die de BVD in het verleden vaak toepaste. Meeliften is simpel. Iedereen krijgt wel eens bezoek van één of andere controleur. Het energiebedrijf komt gemiddeld toch wel elk jaar in elke woning en wat is er gemakkelijker om dan mee te liften. Dit deed de DTOO bijvoorbeeld: "In het kader van een onderzoek werd geïnformeerd bij het GEB naar het energieverbruik in een bepaalde loods. Door het GEB werd gemeld dat de gasinstallatie was afgesloten maar dat er een aanvraag was om de leveranties te hervatten. Het GEB moest de installatie nog goedkeuren. Vervolgens heeft een politieman de GEB-controleur vergezeld bij die controle. Doel was een eventuele inkijkoperatie of huiszoeking voor te bereiden " Een andere, omstreden, manier van meeliften gebeurde op 14 maart 1997 in Willemstad op de Nederlandse Antillen. Om afluisterapparatuur te kunnen plaatsen bij een parlementslid dat verdacht werd van corruptie, deed de DTOO een valse bommelding bij zijn kantoor. Iedereen werd gedwongen het gebouw te verlaten. Vervolgens had de DTOO, die meeliftte met de Explosieven Opruimingsdienst, zeeën van tijd om de afluisterapparatuur te plaatsen. Een andere, voor de hand liggende methode, is het inbouwen van zenders in bestaande meubels. De BVD heeft zich hier in de loop der jaren flink in gespecialiseerd. Een bekend voorbeeld is de wijze waarop de ambassade van de Sowjet Unie werd afgeluisterd. In eerste instantie ontdekten de Russen de BVD-zendertjes die na een inbraak waren geplaatst. Vervolgens hield de BVD goed in de gaten wat voor meubels de ambassade in- en uitgingen. Toen op een gegeven moment een aantal tafels en stoelen ter reparatie naar een meubelmaker werden gebracht, wist de BVD wat te doen. De spullen werden bij de meubelmaker voorzien van moderne afluisterapparatuur en de geheimen van de Russen waren niet langer geheim. Lukt het niet om in een woning zelf te komen, is de verdachte teveel op zijn of haar hoede of is het door de situatie echt onmogelijk, bij een gijzeling bijvoorbeeld dan zijn er vaak nog wel de buren. Vooral bij gijzelingen en ontvoeringen zal de politie via een pin in de muur proberen gesprekken tussen de gijzelnemers of ontvoerders op te vangen.

Het BZK team in Limburg
Dat er vaker dan voor de Van Traa-commissie werd toegegeven direct is afgeluisterd in Nederland blijkt onder andere uit de verhalen van twee voormalig rechercheurs uit Limburg. Beiden maakten in 1987 deel uit van het zogenaamde BZK-team (Bestrijding Zware Criminaliteit), een soort IRT voordat deze waren opgericht. Het team beschikte over een eigen Observatie Team en een eigen tapkamer. In een poging de Limburgse drugshandelaar Peter van D. te arresteren werd er zeer nauw samengewerkt met de Zweedse liaison Herbertson. Volgens de rechercheurs "kwam Herbertson vrijwel dagelijks op het bureau. Hij kon vrijelijk kennis nemen van alle dossiers en mocht overal komen, zoals op de tapkamer waar hij naar telefoongesprekken kon luisteren. Herbertson nam ook deel aan werkbesprekingen en bepaalde mede de te volgen tactiek. Ook verzorgde hij via de Drugs Enforce Agency materiaal dat destijds in Nederland nog niet voor handen was, onder meer afluisterapparatuur. Er werd illegaal afgeluisterd met de DEA-apparatuur. Het betrof hier het zogenamde directe afluisteren met een soort pin die je in een voeg van een muur kon slaan. Vervolgens was het mogelijk om met de bijbehorende apparatuur gesprekken in de ernaast gelegen ruimte op te nemen. Een andere methode was het plakken van microfoontjes op de ramen. dat is meerdere malen gebeurd." Informatie die op deze manier werd verkregen kwam in het proces verbaal verhuld terug: "Uit betrouwbare bron hebben wij vernomen.......". Volgens de rechercheurs speelde de PTT ook een dubieuze rol. Deze dienst verleende medewerking aan het plaatsen van tappen, zonder dat daar de vereiste toestemming voor was van een rechter-commissaris. Indien er aanwijzingen waren dat Van D. ging telefoneren vanuit een telefooncel of op een andere plaats, dan werd die cel of dat andere nummer via de PTT getapt. Na en tijd stopte de PTT ermee, het werd erg routinematig. Vervolgens ging het team het zelf doen en werd de rechter-commissaris ook niet meer achteraf om toestemming gevraagd. Ontlastende gesprekken werden gewist onder het mom van storing op de lijn.

Buitenlandse diensten in Nederland
Als het verhaal van het BZK-team uit Limburg één ding duidelijk maakt is het wel dat de invloed van buitenlandse diensten op het inzetten van opsporingsmethoden groot is. Drugs Enforcement Agency, Bundes Kriminal Ambt, Scotland Yard, noem maar op, alle diensten hebben in Nederland liaisons. De Commissie Van Traa adviseerde de regering verder onderzoek te doen naar de werkwijze van deze buitenlandse opsporingsdiensten in Nederland. Dat onderzoek is inmiddels af, maar Justitie weigert het rapport openbaar te maken. In Vrij Nederland van 3 oktober 1998 gingen Marian Husken en in799joomla Slats diep in op de ontwikkelingen van de laatste tijd. "De buitenlandse opsporingsdiensten en hun vooruitgeschoven posten in Nederland laten zich weinig gelegen aan de nationale wetten en regels", aldus Huskens en Slats. Buitenlandse liaisons beroepen zich op hun diplomatieke status tijdens rechtszaken. Een voorbeeld is de zaak tegen de Brit Curtis Warren. Informatie die leidde tot de aanhouding van de Brit in Nederland bleek afkomstig te zijn van illegaal door de Britten geplaatste afluisterapparatuur in zijn Sassenheimse woning. Politie en justitie ontkenden dat ze hadden samengewerkt met de Britse diensten, die in eigen land ook druk werkten aan de opsporing van Warren. Toch was de Britse liaison-officier regelmatig aanwezig in de tapkamer in Den Haag en had hij toegang tot alle onderzoeksgegevens, a la de Zweed Herbetson in Limburg. Ook zouden de Britten GSM's hebben gekloond, waardoor ze gemakkelijk met alle gesprekken konden meeluisteren. Antwoorden kreeg de rechter echter niet, de Brit beriep zich op zijn diplomatieke status. Advocaten beschuldigden de politie ervan op deze manier een nieuwe U-bocht-constructie te hebben gecreëerd. "Waar de politie vroeger controle op de herkomst van materiaal onmogelijk maakte door het via allerlei U-bochten aan een CID toe te schrijven, gebeurt dit nu door inlichtingen afkomstig te laten zijn van buitenlandse collega's" stelde advocaat Jahae. "Nederland levert zo materiaal uit aan buitenlandse collega's en omgekeerd gebeurt hetzelfde. Controle is nagenoeg onmogelijk" , aldus de advocaat (Jahae) van Warren in het NRC van 13 mei 1998.

De Binnenlandse Veiligheidsdienst
Een belangrijke mededinger op de afluistermarkt is natuurlijk de BVD. "Ter bescherming van de democratische rechtsorde"mag de BVD veel meer mensen afluisteren dan de politie. Bij verdenking van spionage of het in de gaten houden van de bestuurlijke integriteit gaan de knoppen om. Momenteel moeten nog vier ministers hun handtekeningen zetten; in de nieuwe Wet op de Inlichtingendiensten (die eind 1999 nog steeds in de Tweede Kamer lag) heeft de BVD aan de handtekening van één minister genoeg. Over de hoeveelheid telefoons die de BVD afluistert wordt altijd veel gespeculeerd, maar harde cijfers zijn er niet. Soms komen mensen er bij toeval achter. Het overkwam de bekende Nederlandse detective-schrijver Thomas Ross. Begin 1986 werd hij gebeld door kraker R. met de vraag of hij mee wilde werken aan een interview over de BVD. Het interview zou worden opgenomen voor het gebouw van de BVD. Een half uur later werd hij gebeld door iemand die anoniem wilde blijven: "U weet dat dat niet mag", sprak de man. Ondanks aandringen van Ross weigerde de man te vertellen wie hij was. Tijdens het interview - dat wel doorging - hield een wagen van de Haagse politie Ross in de gaten. Het gebeurt niet vaak dat mensen op deze manier ontdekken dat de BVD op de lijn zit. Wel zijn er genoeg mensen die, terecht of onterecht, tegenmaatregelen nemen om ongewenste BVD-bemoeienis te frustreren. Paul de Groot, oud-voorzitter van de CPN, was één van die mensen. In zijn boek over Paul de Groot beschrijft Igor Cornelissen uitgebreid dat de oud-CPN leider bij belangrijke besprekingen altijd zijn woning verliet en in het park ging praten. Ook verweet De Groot met zijn vrouw loslippigheid aan de telefoon. Het liefst hield hij alles voor de snuffelaars van de BVD verborgen. Nu is de CPN ook jarenlang het belangrijkste doelwit geweest van de afluistercentrales van de BVD. In Geschiedenis van de BVD beschrijft D. Engelen de diverse afluisteroperaties, die hoofdzakelijk op CPN'ers waren gericht. Engelen maakt daarbij onderscheid tussen SE-, M-, en T-acties van de BVD. SE-acties (surreptious entry) zijn niet meer dan ordinaire inbraakoperaties. De sleutelcentrale van de BVD zorgde zelf voor een passende sleutel of liet een informant/infiltrant een sleutel kopiëren. Een ploegje gespecialiseerde BVD'ers drong de woning of het kantoor binnen, afgedekt door een eigen Observatie Team en/of surveillance van de politie. Bij een eerste bezoek werd de volledige inrichting gefotografeerd. Het doel was om de spullen na een eventuele inbraak weer op de goede plek terug te zetten of om te bekijken waar de afluisterapparatuur het beste geplaatst kon worden. Als er bij dit soort acties microfoons (zendertjes) werden geplaatst viel het onder de zogenaamde M-acties. De BVD is hierbij in het verleden zeer succesvol gebleken. In het voormalig partijbureau van de CPN, Felix Meritis te Amsterdam, waren in een aantal belangrijke ruimtes zendertjes geplaatst. Ook andere partijkantoren in het hele land werden op deze manier afgeluisterd. Zeer succesvol voor de BVD was Operatie Klaas Vaak. Het doel van deze operatie was het afluisteren van de Chinese ambassade in Den Haag. Aanvankelijk werkte de apparatuur goed, tot de Chinezen bij een verbouwing in 1963 de zendertjes ontdekten. In Operatie Red Herring, die daarop volgde, ging de BVD nog geavanceerder te werk. De zenders die toen (tot in de cryptokamer!) werden geplaatst konden met een afstandsbediening aan en uit worden gezet. Op het moment dat de Chinezen de ambassade controleerden op zendertjes schakelde de BVD deze moeiteloos uit. T-acties (telefoontaps) werden volgens Engelen weinig gebruikt door de BVD. Men prefereerde het gemak van M-acties boven de medewerking die derden (de PTT) hadden moeten verlenen aan telefoontaps. Naast deze afluisteractiviteiten vroeg de BVD regelmatig de printgegevens van mensen op bij de PTT. Op basis van deze gegevens kon dan worden gezien met wie gedurende een bepaalde periode gebeld was. Deze zogeheten N-acties konden ook gaan over printgegevens uit het verleden. SE-, M-, T-en N-acties worden ook nu nog veelvuldig toegepast door de BVD. Ze worden uitgevoerd door afdelingen Speciale Operaties, Techniek en Operationele Opdrachten van de directie Bijzondere Inlichtingenmiddelen, onder leiding van C. Rijk. In het NRC Handelsblad van 21 november 1998 beschrijven Cees Wiebes en Bob de Graaff hoe de BVD verschillende keren hulp kreeg van de Amerikaanse CIA. Ten tijde van de gijzeling van de Franse Ambassade door leden van het Japanse Rode Leger in 1974 in Den Haag stelde de CIA een ruimte tegenover de Franse ambassade en middelen ter beschikking. Er werd een camera gericht op de Franse ambassade en er werden richtmicrofoons gebruikt om de gesprekken tussen de gijzelnemers op te kunnen vangen. Verder stelde de CIA afgeluisterd berichtenverkeer van de National Security Agency (een Amerikaanse inlichtingendienst) beschikbaar. Toen de BVD niet in staat bleek om uit de afgetapte berichten telefoonnummers uit het Midden Oosten te vissen, deed de CIA dat zelf binnen enkele uren. Ook bij de gijzelingen door Molukkers in de jaren '75 en '76 hielp de CIA met technische foefjes. Bij de bezetting van het consulaat in Amsterdam werd afluisterapparatuur aangebracht via een pin in de muur van de buren. Via de buren wist men zelfs apparatuur in de vloeren en plafonds van het consulaat aan te brengen. Bij de treinkapingen in Wijster en de Punt leverde de CIA geavanceerde apparatuur die door mariniers en Britse specialisten aan de buitenkant van de trein werd geïnstalleerd. Maar ook binnen werd de trein op een gegeven moment afgeluisterd. Eerst zocht de BVD hopeloos naar een houten Coca Cola-krat, dat niet meer leverbaar bleek. Later lukte het toch via andere bevoorrading om afluisterapparatuur naar binnen te krijgen. Richtte de BVD zich tot begin negentiger jaren nog hoofdzakelijk op de bestrijding van het communisme, met het wegvallen van die dreiging heeft de BVD driftig naarnieuwe taken gezocht. Eén van die taken is in verband met afluisteren van belang: de bestrijding van de georganiseerde misdaad. Dat de BVD meer mag dan de politie was voor oud BVD-hoofd Docters van Leeuwen belangrijke reden om die taak erbij te nemen. "We weten dat er in Nederland personen rondlopen met een hele staf om zich heen, die moet voorkomen dat men een bewijsbaar strafbaar feit pleegt. Daar kan de reguliere opsporing dus niet bijkomen. Niettemin hebben die mensen het niet echt goed voor met de Nederlandse samenleving. En dan kom je op de vraag of het interessant zou zijn iets van hun strategieën en doelstellingen af te weten. Ik vind uiteraard van wel," aldus Docters van Leeuwen in 1990 in het Algemeen Dagblad. De BVD kreeg in 1993 steun in de rug van de hoofdcommissaris van Amsterdam, Erik Nordholt. Hij maakte zich ernstige zorgen over infiltratie van de georganiseerde criminaliteit in politieke partijen. Hij stapt naar BVD-hoofd Docters van Leeuwen en vond daar een gewillig oor. Er kwam permanent een BVD'er bij de Amsterdamse politie: "hij krijgt inzage in alle onderzoeken en zal daar ook aan mee doen," vertelde Nordholt aan het Parool. De Commissie Van Traa uitte in 1994 fikse kritiek op het feit dat de BVD regelmatig vooronderzoek verrichtte voor de politie. Bij alle IRT's waren op regelmatige basis BVD'ers betrokken. Volgens BVD-officier van justitie Van der Molen-Maessen, zitten zij er vooral als "oog en oor", maar uit eigen onderzoek concludeerde de Commissie Van Traa dat er op de werkvloer wel degelijk informatie wordt uitgewisseld. De BVD'ers gaan na welke informatie van de BVD mogelijk relevant is voor strafrechtelijk onderzoek. Dat de BVD deze opsporingstaak zo ongemerkt op zich heeft kunnen nemen is opmerkelijk. Inlichtingendiensten werken juist met methoden en technieken die veel verder gaan dan de politie. Nu kan er in de voorfase van een onderzoek alsnog BVD informatie terecht komen. De strengere normering voor de politie lijkt hiermee een farce, de BVD neemt de honneurs gewoon waar. Ondanks deze kritiek breidde de BVD de afgelopen jaren haar bemoeienis met de bestrijding van de georganiseerde misdaad alleen maar verder uit. Inmiddels is er sprake van een integrale aanpak van de georganiseerde misdaad binnen de BVD. De grote doorbraak vond in 1996 plaats. Naar aanleiding van bij Justitie gestolen floppies en bedreiging van leden van het OM werd het Contra-strategieën project op de rails gezet. Ter bescherming van de bestuurlijke integriteit werden nu ook 'operationele' middelen ingezet en de BVD kreeg een vaste plek in het eerste landelijke rechercheteam, het landelijke XTC-team. Opmerkelijk was de parlementaire stilte rondom deze toch fikse uitbreiding richting opsporing. Alleen het CDA riep nog iets over de gewenste strikte scheiding van politie- en inlichtingentaken. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat de tendens zich in 1997 voortzette. De Unit Synthetische Drugs kreeg van de BVD strategische informatie over de productie van synthetische drugs in het buitenland en de aanvoer van grondstoffen naar Nederland. In oktober 1997 kondigde minister-president Kok de oprichting van een 'Taskforce Mensensmokkel' aan. Ook hierin kreeg de BVD een plaats: "We gaan daar gericht informatie inbrengen. Bijvoorbeeld als uit inlichtingen van onze zusterdiensten, vooral uit de landen van herkomst, blijkt dat er sprake is van georganiseerde mensensmokkel. We hebben al liaisons in Istanbul en Singapore," aldus BVD-woordvoerder Van Steen. Maar ook informatie uit Nederlandse bronnen zou worden gebruikt, uit vreemdelingendossiers, van vluchtelingen die geworven zijn als informant en natuurlijk uit eigen onderzoek. Niet alleen in de landelijke teams heeft de BVD definitief een plaats veroverd, ook op regionaal niveau is steeds nauwere samenwerking, zo blijkt uit het jaarverslag van 1997. Op tactisch en strategisch niveau zijn de relaties met de politie verder aangehaald. Last but not least is de BVD in 1997 met een verkennend onderzoek begonnen naar de Russische georganiseerde misdaad. Deze taakuitbreiding van de BVD moet vooral in het licht van de nieuwe wetgeving over inlichtingendiensten bekeken worden . Met de nieuwe wet in de hand mag de BVD nog meer opsporingsmethoden gebruiken dan tot nu toe. En terwijl de politie gebonden is aan bepaalde beperkingen, is de BVD dat juist minder. In die zin is de sluipende taakuitbreiding niet zo vreemd. De BVD kan op die manier toch een deel van de verloren gegane CID-taken op zich nemen en als superinformant blijven fungeren voor de politie. Wellicht verklaart dit ook de ontzettend grote tapcapaciteit, die de overheid de GSM-providers oplegt.

De Militaire Inlichtingen Dienst (MID)
Naast de BVD is de Militaire Inlichtingen Dienst (MID) de belangrijkste inlichtingendienst in Nederland. Deze dienst richt zich in eerste instantie op het verzamelen van strategische militaire informatie, maar daarnaast ook op potentiële (binnenlandse) vijanden. Bij voorbaat worden 'vredesactivisten', buitenlanders en werknemers van strategische bedrijven als veiligheidsrisico beschouwd. Afhankelijk van de betrokkenheid van Nederland bij een gewapend conflict worden bepaalde groepen in de gaten gehouden. Werden ten tijde van de Golfoorlog vooral Palestijnen en andere Arabieren afgeluisterd, in het conflict met Servië zullen veel Joegoslaven afgeluisterd zijn. De BVD en de MID werken hierin zeer nauw samen. Naast het bespioneren van de vijand en mogelijk binnenlands verzet tegen een oorlog heeft de MID ook als taak het beveiligen van het Nederlandse Leger. Regelmatige screening bij vertrouwensfunctie behoort tot de routine, en afluisteren is daarbij natuurlijk één van de methoden om iemand te checken. In november 1997 kwam De Telegraaf naar buiten met een verhaal dat de MID ook stelselmatig eigen personeel afluistert. Defensie schijnt zich ernstige zorgen te maken over het ongegeneerd uitwisselen van militaire geheimen via de GSM. "Bijvoorbeeld op oefening wordt vaak onbewust via de mobiele telefoon vertrouwelijke militaire informatie het luchtruim in geslingerd. Daarbij gaat het regelmatig over zaken die de staatsveiligheid in gevaar kunnen brengen. Geheime diensten maken daar naarstig gebruik van. Ook zij luisteren mee", waarschuwt een luchtmachtmedewerker in De Telegraaf. Er zouden speciale tapploegen op pad worden gestuurd om de ether rond militaire bases, kazernes en kampementen af te speuren op telefoongesprekken die mogelijk geclassificeerde informatie bevatten. Daarbij zouden mobiele nummers getapt worden die bij de MID bekend zijn, zoals GSM's die door de krijgsmacht ter beschikking zijn gesteld. Maar ook telefoons die door militairen privé zijn aangeschaft worden gecontroleerd. Defensie zou hierbij gebruik maken van een zogenaamde IMSI-catcher.

Het Technisch Informatie Verwerkingscentrum (TIVC)
Naast het afluisteren via centrales zijn inlichtingendiensten experts in het afluisteren van alles wat via de ether wordt verzonden. Radiosignalen, straalzenders, mobiele zenders, satellietverbindingen en mobilofoonverbindingen je kan het zo gek niet verzinnen of het kan wel uit de ether worden geplukt. Heel veel communicatie gaat natuurlijk via de lucht. Elk leger houdt via zenders contact met zijn eenheden, diplomaten zenden berichten naar hun eigen land, grote bedrijven onderhouden met zenders eigen netwerken en wie belt er tegenwoordig eigenlijk niet mobiel? In hoofdstuk 4 wordt er uitgebreid ingegaan op de National Security Agency (NSA), de meest geheime inlichtingendienst van de VS. Maar ook Nederland heeft een eigen gespecialiseerde stofzuiger: het Technisch Informatie Verwerkingscentrum (TIVC), tot 1982 bekend als het Wiskundig Centrum en misschien beter bekend onder de naam "Kattenburg", een schiereiland op een steenworp afstand van Amsterdam CS, waar het centrum is gevestigd. Het TIVC vist voor Nederland alle signalen uit de lucht, neemt belangrijke zaken op, decodeert ze en geeft berichten vervolgens door voor analyse. Het bereik is wereldwijd door verschillende radio-interceptiestations over de hele wereld. Specialisatie van het TIVC is het decrypten van versleutelde berichten, de zogenaamde crypto-analyse. Dit kan lopen van berichten die verzonden worden door ambassades of bedrijven tot aan versleutelde e-mail. Een belangrijke afdeling is de interceptie en traffic-analyse, waaronder signaal-analyse. De militaire poot van deze afdeling gebruikt deze analyse voor de identificatie van vijandelijke schepen en bepaling van de positie, koers en vaart. De civiele afdeling richt zich op traffic-analyse van high frequencyverbindingen van diplomatieke netten en PTT-stations en analyse van openbare satellietverbindingen. De belangrijkste distributeur van de berichten is tot halverwege de negentiger jaren de Inlichtingendienst Buitenland (IDB) geweest. Vanaf 1978 was er zelfs een speciale lijnverbinding tussen het TIVC en het hoofdkantoor van de IDB in Wassenaar, Villa Maarheeze. De berichten die de IDB van het TIVC ontving werden opgenomen in het groene boek, of de groene editie. Zelfs binnen de IDB werd daar geheimzinnig over gedaan. Het Bureau Verbindingsinlichtingen met één verwerker zorgde voor de distributie. Alleen de leiding mocht alles zien. Na het opheffen van de IDB lopen de politieke en politiek economische inlichtingen via de BVD. In de zeventiger jaren ging ongeveer 30 procent van berichten naar de Marine, 70 procent naar andere afnemers. Technische en wetenschappelijke gegevens, gegevens over buitenlanders, informatie over het Warschau-pact en gegevens op politiek en politiek economisch terrein gingen altijd via de IDB. Alles over personen ging naar de BVD, informatie over buitenlanders ook naar Buitenlandse zaken. Militaire gegevens gingen naar de MID. Er is altijd gebruik gemaakt van zeer geavanceerde apparatuur. Het TIVC heeft daartoe dan ook nauwe contacten met Philips en de Technische Universiteit van Delft onderhouden. In een boek over de Marine Inlichtingendienst (De Marid van binnenuit) beschrijft een oud hoofd van de afdeling traffic-analyse van het TIVC, J.F. Bastiaans, dat de technische ontwikkelingen zeer snel gingen. "Vele nieuwe transmissiesystemen deden hun intrede, niet in het minst op de diplomatieke verbindingsnetten en op de internationale PTT satellietverbindingen. Alles gebeurde in snel tempo en voor de interceptieafdeling betekende dat handen- en voetenwerk." Vanaf 1975 was het TIVC aangesloten op de ontvangstinstallatie van de PTT voor satellietverkeer te Burum. De PTT wilde bezuinigen op de verbinding Burum - Zuid Laren - Nera door de post Zuid Laren per 1 oktober 1980 op te heffen. Zuid Laren was één van de zes peilers van het nationale peilnet en had veel afluisterwerk verricht voor de inlichtingendiensten. De PTT vond dat het TIVC het zelf moest gaan doen en schonk omstreeks 1980 een schotel en ontvangstapparaat ter waarde van 1 miljoengulden aan het TIVC. Budget was altijd een probleem, omdat de regering het TIVC het liefst zo geheim mogelijk hield. In de periode van de regering Den Uyl zouden de kosten zo rond de 30 miljoen zijn geweest, in 1985 zou dit al zijn gestegen naar 50 tot 100 miljoen (R. Schouten in de Haagsche Courant). In 1992 schatte de journalist Joost de Haas van De Telegraaf het budget op zo'n slordige 150 miljoen. Uit het boek Villa Maarheeze valt op te maken dat de IDB haar bestaansrecht voor een groot deel dankte aan de berichten die via het TIVC werden opgevangen. Oud-medewerker TIVC Bastiaans beschreef zelf ook hoe die verhouding lag. "Zeer kostbare apparatuur moest worden aangeschaft. En daar dit vooral voor de inlichtingenverwerving ten behoeve van de regeringstaak van de Marid bestemd was, bleef er qua gelden nauwelijks iets over voor de nationale- en Navo-taak van de BID in Den Haag" Het belang van het TIVC voor Nederland was en is zeer groot. Voor offensieve spionagedoeleinden (bijvoorbeeld diplomatiek verkeer) en economische doeleinden. Om het diplomatieke verkeer te kunnen afluisteren moest natuurlijk ook de beveiliging worden gebroken. En sommige codes waren nu eenmaal te moeilijk. Volgens Cees Wiebes en Bob de Graaff was het TIVC niet in staat de codes van de Russen, het Oost-Blok of China te kraken. Eenmalige "one time path codes" maakten dit onmogelijk. De codes van een aantal landen uit het Midden-Oosten wist men wel te kraken, inclusief Afghanistan, Pakistan en Iran. Het TIVC leverde veel van het berichtenverkeer af aan de Mossad, de Israelische veiligheidsdienst, maar ook de Nederlandse regering werd op deze manier ruimschoots voorzien van informatie over het Midden-Oosten. Zo stelde het TIVC de regering Den Uyl tijdens de Yom Kippur oorlog in 1973 dagelijks op de hoogte van gekraakte berichten uit het Midden-Oosten. Een bijkomstigheid was dat het TIVC ook de codes van Shell kon meelezen, waardoor duidelijk werd dat er genoeg olievoorraden waren voor een half jaar. Het vermoeden bestond echter dat ook anderen de codes van Shell konden breken, dus adviseerde inlichtingendienstcoördinator Kruimink het bedrijf de versleuteling te verbeteren. "De relatie met Shell was overigens zeer nauw, omdat Shell-medewerkers vaak voor de IDB werkten" aldus Wiebes en de Graaff in Villa Maarheeze. Overigens wist het TIVC ook de codes van Navo-bondgenoten België, Duitsland, Italië en Turkije in de loop der tijden te kraken.

Economische spionage
Bedrijfs- en/of economische spionage is een heikel onderwerp in de wereld van de inlichtingendiensten. Dat juist afluistercentrales, zoals het TIVC, daarin een grote rol spelen wordt het liefst verborgen gehouden. Uit het boek van Wiebes en de Graaff blijkt dat de IDB er zelfs een eigen afdeling voor had: de economische afdeling. Deze tak van de IDB won vooral inlichtingen in ten behoeve van het Ministerie Economische Zaken en Landbouw en Visserij. In eerste instantie vooral door zakenlui die het buitenland bezochten of daar woonden. Later ook via het afluistercentrum TIVC. Wiebes en de Graaff typeren de verstandhouding van het TIVC met het bedrijfsleven als incestueus. Binnen een aantal grote bedrijven werkten mensen op directieniveau voor de IDB. In ruil voor informatie kregen zij vitale economische informatie terug. Het TIVC vangt vaak berichten op die van belang kunnen zijn voor Nederlandse bedrijven. Veel bedrijven (vooral multinationals) hebben hun eigen zendsystemen en tegenwoordig gaat alles via satellieten. De onderschepte berichten lopen van offertes tot aanbiedingen van buitenlandse bedrijven. Zo gingen Duitse offertes voor fregatten via de IDB naar Rijn Schelde Verolme. Vooral met Philips is er een innige verhouding. Het bedrijf leverde zelf informatie en fungeerde als cover voor IDB'ers in het buitenland. De afdeling telecommunicatie van Philips zou vooral in de jaren zeventig in een aantal landen telefooncentrales geleverd hebben die voorzien waren van afluisterapparatuur. Ook zou Philips met de National Securety Agency afspraken hebben gemaakt over een achterdeurtje bij zijn codeerapparatuur. Soms ontdekte de IDB via onderschepte berichten dat er strategische goederen werden geëxporteerd naar landen waaraan dat verboden was, bijvoorbeeld aan Irak. Ingegrepen is er echter niet. De IDB vroeg de bedrijven juist door te gaan om op die manier een informatiepositie te verwerven. Bepaalde bedrijven werden zelfs aangemoedigd meer contacten te leggen om zo verdere gegevens te verzamelen. Met het opheffen van de IDB is lange tijd onduidelijk gebleven wat er met de taken van de dienst was gebeurd. Een aantal offensieve operaties, waaronder het Bouterse-onderzoek en operaties in Irak gingen gewoon door. Ook het oud-hoofd van de IDB is als speciaal adviseur van de coördinator inlichtingendiensten nog steeds nauw betrokken bij het inlichtingenwerk. De BVD heeft de economische spionage overgenomen. De Dienst beschikte al een 'Stafafdeling Buitenlandse Politiek', die - hoe kan het ook anders - zich bijna geheel richtte op communistische landen. Momenteel wordt er hard gewerkt aan het opzetten van een nieuwe directie: het project Inlichtingen Buitenland, onder leiding van Mr.Drs.H.P. van Weeren. Deze afdeling wordt Nederlands nieuwe superbedrijfsspion.

Bedrijfsspionage
De BVD loopt hiermee aardig in de pas met de andere inlichtingendiensten. Van de Duitse Bundes Nachrichtendienst (BND) is al sinds de zeventiger jaren bekend dat de verhouding met het bedrijfsleven optimaal is. Uit een intern beleidsstuk van de dienst kwam naar voren dat ze zich opmaakte voor het leveren van operational economic intelligence. Frankrijk heeft zelfs een apart staatsbedrijf, Intelco, dat als intermediair fungeert tussen defensie, de inlichtingendiensten en het bedrijfsleven. Ook Japan kent iets soortgelijks: het Institute for Industrial Protection, dat mensen opleidt voor de inlichtingendiensten die bijna elk groot bedrijf daar heeft. In Japan zou 80 procent van de inlichtingencapaciteit gebruikt worden voor economische spionage. Vriend en vijand lopen in de wereld van de harde valuta dwars door elkaar heen. Zo bleek de Franse inlichtingendienst in bussines-seats van de toestellen van Air France, die vlogen op de VS, afluisterapparatuur aangebracht te hebben. Op die manier hoopte men strategische informatie binnen te halen. Over de bedrijfsspionageactiviteiten van de Amerikaanse National Security Agency staat meer in hoofdstuk twaalf. De Europese partners blijken ook elkaar driftig af te luisteren. In januari 1998 onthulde de voormalige minister van buitenlandse zaken van Groot Brittannië, Owen, in de documentaire How to be foreign secretary dat de engelse inlichtingendienst buitenland, de SIS, informatie verzamelt over Europese partners. Ook de Nederlandse crypto-onsleutelaars hebben hun oren niet alleen richting het Oosten te luister gelegd. Men heeft niet voor niks de codes van Westerse bondgenoten zoals Duitsland, Italië en België gekraakt. Jarenlang waren de activiteiten van de IDB meer op het Westen dan op het Oosten gericht. De nieuwe Russische Buitenlandse Inlichtingendienst SWR (de opvolger van de KGB) houdt zich ook gericht met economische spionage bezig. In 1993 bijvoorbeeld werd in Italië een netwerk van 28 high tech spionnen opgerold die voor de SWR werkten. De nieuwe SAPSII, de Inlichtingendienst voor het Federaal Bureau van Regeringsverbindingen bij de Presidenten van de Russische Federatie, is Ruslands eigen versie van de Amerikaanse concurrent NSA. De SAPSII houdt zich vooral bezig met versleuteling en elektronische spionage. (Kwetsbare kennis) Wat dat allemaal inhoudt is te lezen in hoofdstuk twaalf. Het bedrijfsleven en andere particuliere aanbieders begeven zich natuurlijk ook op de afluistermarkt van de bedrijfsspionage. De grote multinationals hebben allemaal hun eigen bedrijfsbeveiligingsdiensten, met veelal oud-inlichtingendienst- of politiemedewerkers aan het hoofd. Net als de particuliere "informatiemakelaars" halen zij het grootste deel van hun informatie uit open bronnen. Met simpelweg doorpluizen van jaarverslagen, kranten knippen en vakliteratuur bijhouden weet je al snel heel veel van de concurrent. Iets verder gaat het als er ook "interviews" met medewerkers van de concurrent worden gehouden of het oud papier en de vuilnis wordt opgehaald. De echte dirty tricks, zoals het afluisteren en infiltreren (ook actiegroepen worden als concurrent beschouwd!), worden vaak overgelaten aan de echte cowboys. Ranzige bedrijfjes die opereren in de marge, als er iets fout gaat kent niemand ze. Zo ook de twee Britten, die in 1991 door de Zwitserse politie werden gearresteerd nadat ze een poging hadden ondernomen afluisterapparatuur te plaatsen bij een bedrijf. Volgens sommige kranten werkten de twee voor het gerenommeerde informatiemakelaarsbedrijf Kroll Associates, dat dit natuurlijk stellig ontkende. De meeste bedrijven, lobby-organisaties en actiegroepen blijken zich amper bewust te zijn van de staat van technische kennis op het gebied van bedrijfsspionage en als het al eens ontdekt wordt dan wordt dat het liefst verborgen gehouden, alsof het een ernstig geval van geslachtsziekte is.

De Particuliere Recherchebureaus
In de particuliere branche wordt sowieso het liefst alles verborgen gehouden. Een beeld dat ook te zien is bij de Nederlandse branche van recherchebureaus. Bij het grootste deel van de door deze bureaus onderzochte zaken wordt de politie niet ingeschakeld en de openbaarheid vermeden. Zo werd in 1997 bij slechts 173 van de 1359 bedrijfsfraudegevallen de politie ingeschakeld. Van het totaal van 31.734 onderzochte zaken werd 3812 keer de politie erbij geroepen. Publiciteit was er zelden. Hoe vaak recherchebureau's gebruik maken van afluisteren is onbekend. Dat ze het doen staat vast, zeker gezien de huidige omvang van afluisterapparatuur. Dat het illegaal is staat ook vast, dus zullen ze er ook nooit voor uit komen. Strafbare feiten moeten in principe gemeld worden bij de politie. Die kan er als tip iets mee doen. Een groot deel van de opdrachten van de recherchebureaus betreft bedrijfscriminaliteit. Het gaat dan om diefstal waarbij het vermoeden bestaat dat er werknemers betrokken zijn, fraude in verband met ziekte, of een enkel geval van vermoeden van bedrijfsspionage. Om dit soort zaken op te lossen wordt er erg veel afgeluisterd binnen bedrijven. Bijkomstigheid is namelijk ook nog eens dat je de prestatie (of de Internet-interesses) van je werknemers kan testen. Voor het meten van de prestaties mogen werknemers eigenlijk onbeperkt worden afgeluisterd. In november 1996 besliste de Registratiekamer dat werkgevers zakelijke telefoongesprekken van hun werknemers mogen opnemen of meeluisteren. Een belangrijke voorwaarde is dat het alleen ter bewaking van de kwaliteit van de dienstverlening is of om te kijken hoe de werknemer functioneert. Deze uitspraak deed de Registratiekamer naar aanleiding van een klacht over afluisteren bij de Postbank en de ECI. Zodra het afluisteren zich echter heel direct op één persoon richt ter bewijsvoering van fraude of ander crimineel gedrag, ligt het stukken moeilijker. In het Algemeen Politieblad van 3 april 1997 besprak Mr. P.A. Charbon, advocaat bij Stibbe Simont Monahan Duhot te Amsterdam, een aantal gevallen van onrechtmatig afluisteren. Zo liet Adviesbureau De Vries de telefoongesprekken van werknemer De Wit gedurende drie weken, onafgebroken en zonder dat De Wit dat wist, afluisteren. De Wit werd er namelijk van verdacht nauwe contacten te onderhouden met de concurrent met het doel samen De Vries te gaan beconcurreren. Van die telefoongesprekken werden bandopnamen en vervolgens transcripten gemaakt. Overduidelijk bleek dat de verdenking terecht was en De Wit werd op non-actief gesteld. Daarna werd door De Vries een ontbindingsverzoek ingediend bij de rechter. De heer Flipse werd ervan verdacht dat hij tijdens een periode van ziekte voor anderen aan het werk was. Werkgever Van Kooij liet Flipse controleren door een recherchebureau en uit het onderzoek bleek inderdaad dat Flipse helemaal niet zo ziek was. Hij werd op staande voet ontslagen. Beide werkgevers hadden zich volgens de rechter niet als een goed werkgever gedragen. Het bewijs was onrechtmatig verkregen. In het geval van De Wit hield de rechter wel rekening met de opgenomen telefoongesprekken gezien de ernst van de situatie. Het ontslag van Flipse werd echter ongedaan gemaakt. Hier had, gezien de aard van de zaak, nooit een recherchebureau ingeschakeld mogen worden. Een rechter zal in dit soort zaken altijd een belangenafweging maken: aan de ene kant de privacy van de werknemer, aan de andere kant het belang van de werkgever. Met de toename van het telewerk, computernetwerken, e-mail en Internet zullen meer en meer werkgevers ook de 'tele'-activiteiten van hun personeel in de gaten willen houden. Recente ontwikkelingen zijn te volgen via de website van de registratiekamer.

Wetten en Regels
De wettelijke basis voor het afluisteren in Nederland is een tamelijk gecompliceerde aangelegenheid. In de Grondwet staat een duidelijk verbod om af te luisteren, maar op dit verbod mag op grond van andere wetten weer inbreuk gemaakt worden. In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de bestaande wetgeving op het gebied van afluisteren. Verder zullen we ingaan op de plannen om nieuwe wetgeving te maken rond dit onderwerp.

Bestaande Wetgeving
Artikel 13 Grondwet
De basis voor alle wetgeving rond afluisteren ligt in het artikel 13 van de Grondwet. Het huidige artikel luidt:
1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.
Er valt een aantal dingen op. De wet doet ten eerste tamelijk ouderwets aan. Hij is in 1983 geschreven: fax, GSM en e-mail worden er niet in genoemd. Ten tweede is het briefgeheim beter beschermd dan het telefoongeheim. Om een brief te mogen openen is toestemming van een rechter nodig, voor een tap slechts een handtekening van een bevoegde ambtenaar.

Artikel 139c in het Wetboek van Strafrecht
Het verbod op afluisteren wordt verder vormgegeven in artikel 139c van het Wetboek van Strafrecht. Uitgesloten van dit verbod zijn het opvangen van radiografische berichten en afluisteren ten behoeve van testen door de telecommunicatie-leverancier, ten behoeve van de strafvordering of ten behoeve van de BVD. De BVD moet wél een bijzondere machtiging hebben van vier ministers: de minister-president en de ministers van Justitie, van Binnenlandse Zaken en van Verkeer en Waterstaat. Deze machtiging is geldig voor een periode van drie maanden. Opvallend is de expliciete uitzonderingspositie voor de BVD (en niet voor andere inlichtingendiensten!). Zie over de aftapbevoegdheid van de BVD de paragraaf over de WIV.

Wet op de Telecommunicatie Wanneer er grondwettelijke toestemming bestaat, moet er natuurlijk voor worden gezorgd dat er ook inderdaad afgeluisterd kan worden. Vroeger was dat eenvoudig. De PTT was een staatsbedrijf en de enige leverancier van telefonie en aanverwante artikelen. Wanneer de bevoegde autoriteiten daarom vroegen, werden er twee draadjes aan een telefoonlijn geknoopt en kon het tappen beginnen. Inmiddels ligt het een stuk minder eenvoudig: aftappen wordt door alle moderne communicatietechnieken een ingewikkelde en kostbare aangelegenheid. Hierdoor kwam de overheid in het nabije verleden voor een aantal verrassingen te staan: bij de introductie van het autotelefoonnet en het GSM-net bleken beide niet af te tappen te zijn. Met het autotelefoonnet loste de politie dit nog op door alle autotelefoongesprekken af te luisteren, aangezien die in gewone taal door de lucht gingen en met scanners waren op te vangen. Met GSM lukte dit niet meer, omdat GSM gebruik maakt van versleutelingstechnieken. Met de nieuwe Wet op de telecommunicatie die sinds december 1998 van kracht is, worden dit soort aftap-problemen ondervangen. Ten aanzien van aftappen stelt artikel 13 van deze wet dat alle telecommunicatiebedrijven in Nederland verplicht zijn om hun netwerken aftapbaar te maken voor politie, justitie en inlichtingendiensten. De kosten voor de technische aanpassingen die dit met zich meebrengt, moeten de bedrijven zelf dragen. Als bedrijven niet aan deze eis voldoen mogen ze niet meer als telecommunicatiebedrijf actief zijn. Alle netwerken van de bedrijven die nu al bestaan moeten vóór september 1999 aftapbaar zijn. Dit geldt natuurlijk voor telefonie-bedrijven, maar bijvoorbeeld ook voor kabeltelevisie-exploitanten. Internet-providers, die daar een verzoek toe hebben ingediend, hebben tot augustus 2000 uitstel gekregen van deze verplichting. Na september 1999, respectievelijk augustus 2000, heeft elke openbare telecommunicatie-leverancier dus een aftapinstallatie in huis. Deze installaties worden op afstand door politie of inlichtingendiensten bediend. Vanuit de tapkamer kan dan bepaald worden op welke lijnen een tap gezet wordt, om vervolgens alle informatie die over die lijn loopt op te nemen. Daarnaast hebben deze instanties toegang tot alle gegevens over abonnees en hun gesprekken: wie welk nummer heeft gebeld en wanneer, hoe lang de gesprekken hebben geduurd etc. Als klap op de vuurpijl zullen de klanten van telecomleveranciers het aftappen zelf bekostigen. De leveranciers moeten deze voorziening immers volgens de wet op zich nemen en zullen dit natuurlijk doorberekenen aan hun klanten. Wanneer deze regelingen nog verder worden uitgewerkt blijkt ook nog eens hoever de diensten willen gaan bij het aftappen. In een brief aan een overleg tussen verschillende overheidsinstanties en het bedrijfsleven schrijft het Ministerie van Verkeer en Waterstaat: "De opsporingsdiensten en de BVD hebben onder andere behoefte aan:
(...)
* Nummerherkenning van alle uitgaande communicatie, ook als geen verbinding tot stand is gebracht;
* Nummerherkenning van alle inkomende communicatie, ook als geen verbinding tot stand is gebracht;
(...)
* Bij mobiele telefonie; informatie over het dichtstbijzijnde basisstation."

Aftapcapaciteit
De verplichting tot medewerking die voor telecommunicatie-leveranciers geldt wordt verder uitgewerkt in gedetailleerde regelingen. Zo is eveneens in december 1998 de tijdelijke regeling aftappen openbare telecommunicatienetwerken en -diensten van kracht geworden, die invulling geeft aan de eisen van de nieuwe telecommunicatiewet. Deze regeling geeft richtlijnen aan de telecommunicatieleveranciers over de tapcapaciteiten die ze moeten installeren. De regeling is opgesteld in vrij algemene bewoordingen in afwachting van een gedetailleerdere definitieve versie waarin alle technische protocollen zullen zijn uitgewerkt. De richtlijnen voor de tapcapaciteit geven een ontluisterend beeld van de aftapmogelijkheden in Nederland:
De aftapcapaciteit voor vaste telefoonnetwerken moet van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat 0,1 promille van het totaal aantal aansluitingen zijn. In 1997 waren er ruim 8,8 miljoen telefoonaansluitingen in Nederland; voor dit aantal zou de afluistercapaciteit op 880 taps tegelijkertijd neerkomen. Wanneer we uitgaan van de laatst bekende gemiddelde duur van een tap. 43,9 dagen in 1994, dan zou de totale afluistercapaciteit in 1997 7317 getapte telefoonlijnen bedragen. Wat de aftapcapaciteit van GSM's betreft is het beeld helemaal schrikbarend. De staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat verplicht de GSM-providers tot een aftapcapaciteit van 1,5 promille van het aantal actieve GSM-toestellen. In 1997 waren er 1,7 miljoen mobiele aansluitingen. Dat betekent dat er toen 2550 aansluitingen tegelijkertijd afluisterbaar moesten zijn. Met de bovengenoemde gemiddelde aftapduur uit 1994 zouden er dus 21 duizend mobiele telefoonaansluitingen per jaar kunnen worden afgeluisterd. Let wel, het gaat hier om cijfers uit 1997 terwijl de echte GSM-golf toen nog moest beginnen. Ook gaat het hier om de maximum-capaciteit, die waarschijnlijk niet (altijd) volledig gebruikt zal worden. Toch mag je veronderstellen dat deze kostbare voorzieningen geen slag in de lucht zijn, maar zeker gerelateerd kunnen worden aan het daadwerkelijke tapgedrag van de overheid. Wie dit schrikbarend vindt, staat nog heel wat te wachten. In een Verslag over de informele besprekingen met de telecommunicatie aanbieders van ingenieur A.S. van Bercheycke (beleidsmedewerker BVD), dat geschreven is na het in werking treden van deze tijdelijke regeling, staat het volgende over de aftapcapaciteit geschreven:
"De tapkamers van de gezamenlijke overheidspartijen hebben op dit moment een totale tapcapaciteit van 1.500 gelijktijdige taps op het (analoge) vaste net en 2.000 gelijktijdige taps op het (digitale) mobiele net. Deze capaciteit is zeer snel uit te breiden tot maximaal 30.000 gelijktijdige taps." Hier is men kennelijk niet gelukkig mee, want de BVD'er stelt het volgende schema voor:

"Aantal aansluitingen Vaste Net Mobiele Net Internet
< 100.000 30 2,0 o/oo, min. 30 *
100.000 - 1000.000 0,2 o/oo, min. 30 1,5 o/oo, min. 200 *
> 1.000.000 0,15 o/oo, min. 200 1 o/oo, minimaal 1500 *

Noot*: Hierover dient nog nader overleg te worden gevoerd met Internet Service Providers."

Wetboek van Strafvordering
Nu in de wettelijke mogelijkheden is voorzien en de medewerking van telecomleveranciers is verzekerd, moet aangegeven worden wanneer er afgeluisterd mag worden. Dat wordt op een aantal plaatsen geregeld. In het kader van de opsporing wordt in het Wetboek van Strafvordering (WvSv) beschreven wanneer er mag worden afgeluisterd en hoe dit in zijn werk moet gaan. De artikelen 125F tot en met 125H WvSv regelen het onderzoeken van telecommunicatie. Artikel 125F regelt het opvragen van belgegevens uit het verleden. Op grond van dit artikel mogen opsporingsautoriteiten na een ontdekking op heterdaad van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan alle bekende belgegevens bij telecommunicatie-leveranciers opvragen. In artikel 125G wordt het daadwerkelijk afluisteren geregeld. In het kader van het opsporingsonderzoek mag een rechter-commissaris toestemming geven een tap te plaatsen en om telecommunicatie op te nemen wanneer er aan twee voorwaarden is voldaan: er moet sprake zijn van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan en het moet dringend nodig zijn voor het onderzoek. Dit gaat om alle vormen van telecommunicatie. Verder wordt het afluisteren van ruimtes waar de hoorn naast de haak ligt op grond van dit artikel gelegitimeerd. In artikel 125H staan tenslotte een aantal regels dat bepaalt wat er met de afgeluisterde gegevens moet gebeuren: verwerken in een proces-verbaal, opslaan of vernietigen. Wanneer gegevens voor het verdere onderzoek niet van belang zijn bestaat de verplichting om ze zo spoedig mogelijk te vernietigen.

Requirements Justitie
(Uit het Verslag sectoroverleg justitieel aftappen en monitoren d.d. 28 september 1998 met de aanwezigen KPN, IBM, EnerTel, CaqsTel, Libertel, VECAI, A2000):
Het idee is ontstaan om samen te vatten hoe operators in de toekomst omgaan met de door de regelgever opgesomde requirements. Hierbij is het met name van belang om een scheiding te maken tussen wettelijke vereisten en verdere wensen. Afgesproken wordt, dat elke operator een lijst samenstelt waarin wordt opgenomen welke extra's op basis van de huidige stand van de techniek van de operator kunnen worden geboden bovenop de wettelijke kaders. Het hieruit ontstane totaaloverzicht - waarin is opgesomd wat door de operators unaniem is aangedragen - zal aan de regelgever worden voorgelegd als maximum dat door de operators geleverd zal worden." De telecomleverancier niet als verlengstuk van justitie maar als Sinterklaas voor de opsporingsdiensten. Ze leveren panklaar alle technische mogelijkheden die ze, alhoewel niet wettelijk voorgeschreven, bereid zijn aan justitie te leveren. Met dank van de klant.

Nieuwe Wetgeving
Hiermee is globaal aangegeven op welke wetten het justitieel aftappen in Nederland is gebaseerd. Inmiddels is er echter een flink aantal wetten in de maak die de afluistermogelijkheden voor justitie, politie en inlichtingendiensten sterk moeten verruimen. Om te beginnen wordt artikel 13 van de Grondwet aangepast aan de moderne tijd. Daarbij wordt, op zijn zachtst gezegd, zeer welwillend gekeken naar de wensen van politie en justitie. Andere wetten waaraan gewerkt wordt zijn de Wet voor de bijzondere opsporingsbevoegdheden, de nieuwe Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de Wet computercriminaliteit 2. Deze wetsvoorstellen zijn dermate ingrijpend dat er wettelijk gezien nauwelijks veilige communicatie meer bestaat, ondanks de belofte daarover in de Grondwet. Als al deze plannen doorgaan zal de overheid legitiem gebruik kunnen maken van alle denkbare middelen om personen af te luisteren. Daarnaast wordt in de Wet computercriminaliteit 2 een aanzet gegeven tot het verplicht ontsleutelen van gecrypte informatie. Een kort overzicht.

Artikel 13 Grondwet
Er is een nieuw artikel 13 in de maak. In 1997 kwamen de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie met een voorstel om het artikel te wijzigen. De bedoeling was met name om de wet te moderniseren en tegelijkertijd te voorzien in grondwettelijke bescherming van alle verschillende communicatietechnieken (van het gewone gesprek op straat of in de kroeg tot en met technieken die nog moeten worden uitgevonden). De eerste uitwerking van deze opzet zou een aantal ingrijpende gevolgen hebben. Aan de ene kant zouden meer vormen van communicatie (bijvoorbeeld e-mail) onder het briefgeheim gaan vallen, maar aan de andere kant zou de bescherming een stuk minder worden: met name politie en inlichtingendiensten zouden een stuk makkelijker inbreuk mogen maken op alle vormen van communicatie. Dit wetsvoorstel leverde een storm van kritiek op in de media en de politiek. Met name het makkelijker maken van het schenden van het briefgeheim en het aanvankelijke plan om e-mail van het communicatiegeheim uit te sluiten waren punten van kritiek. Hierdoor zagen de ministers zich genoodzaakt een aanvullende nota uit te brengen waarin zij wat gas terug namen. Door deze nota veranderde er inhoudelijk het een en ander aan de voorgestelde wetswijziging van artikel 13 van de Grondwet. Er bleef echter ernstige kritiek bestaan op het wetsvoorstel. Uiteindelijk werd het door de Tweede kamer dusdanig geammendeerd, dat er van de oorspronkelijke plannen van de ministers weinig over bleef:

- Inbreuk op communicatie mag alleen nog maar plaatsvinden met toestemming van een rechter. Eén grote uitzondering blijft echter bestaan: veiligheidsdiensten zoals bijvoorbeeld de BVD hoeven geen toestemming aan een rechter te vragen, zij kunnen volstaan met toestemming van één minister.

- Ook gegevens óver de communicatie worden onschendbaar. Data over wie wanneer met wie heeft gebeld worden dus ook geheim.

- Er moeten regels opgesteld worden over de geheimhouding. Dit deel is toegevoegd met de privatisering van de post- en telecommunicatiemarkt in het achterhoofd.

- Het slachtoffer van afluisterpraktijken moet op een gegeven moment in kennis worden gesteld dat er afgeluisterd is, of dat er brieven zijn geopend (notificatieplicht). Ook dit geldt overigens niet voor de inlichtingendiensten: die hoeven nooit te vertellen wat ze gedaan hebben. Het is echter onduidelijk of deze uitzondering blijft bestaan. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken heeft inmiddels laten weten dat er, naar aanleiding van de kritiek uit de Tweede Kamer, waarschijnlijk ook een notificatieplicht voor inlichtingendiensten komt. Om de voortgang rond deze wetswijziging verder te begeleiden heeft de minister van Binnenlandse Zaken in december 1998 een commissie "Grondrechten in het digitale tijdperk" ingesteld, die in februari 1999 aan het werk is gegaan. Deze commissie moet de Grondwet millenium-proof maken, door er voor te zorgen dat er niet bij elke nieuwe uitvinding nieuwe wetten hoeven te worden geschreven. Naast het bijstellen van artikel 13 zal de commissie ook onderzoek doen naar de vrijheid van meningsuiting en het recht op privacy (artikelen 7 en 10 van de Grondwet). Het eerste gevolg van het instellen van de commissie is dat het bovengenoemde voorstel voor een nieuw artikel 13 op 28 maart 1999 door de minister van Binnenlandse Zaken is ingetrokken. De minister verwacht dat door het instellen van de commissie een nieuw, meer omvattend wetsvoorstel zal worden ingediend en is van plan om dit aan het begin van de volgende regeerperiode (rond 2002) door het parlement aan te laten nemen.

Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden
De directe aanleiding voor het schrijven van deze wet is alles wat er in de IRT-affaire en de Commissie Van Traa naar boven is gekomen aan illegale opsporingsactiviteiten. De Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden moet het toepassen van bevoegdheden als afluisteren, infiltratie en inbraak een plaats in het Wetboek van Strafvordering geven. Het komt daarbij in de plaats van de eerder in dit hoofdstuk beschreven huidige afluisterwetgeving in het Wetboek van Strafvordering. DeCommissie Van Traa wilde dat het gebruik van de tap beperkt zou worden. Het zou alleen ingezet mogen worden wanneer er sprake is van een reeds gepleegd ernstig misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en dat bovendien een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Tappen vóórdat het misdrijf is gepleegd is alleen toegestaan bij personen van wie vermoed wordt dat zij dat ernstige misdrijf gaan plegen. Wel moet het vermoeden bestaan dat de verdachte aan het gesprek deelneemt, een eis die overigens ook in de huidige wetgeving staat. Verder zou er meer controle moeten zijn op de wettelijke basis van telefoontaps. Ten slotte vindt de commissie Van Traa dat aan het printen van telecommunicatie-gegevens een maximum-termijn moet worden verbonden en dat hierop controle plaats moet vinden door een rechter-commissaris. Deze voorstellen zijn inmiddels uitgewerkt in een wetsvoorstel dat inmiddels is aangenomen door de Eerste en de Tweede Kamer. Begin 2000 zal de wet waarschijnlijk in werking treden. In deze wet is echter door de minister van Justitie een aantal aspecten veranderd ten opzichte van de voorstellen van de commissie Van Traa. Het accent is verschoven van de bescherming van de burger naar het belang van de waarheidsvinding. De officier van justitie kan, met toestemming van een rechter-commissaris, bevelen dat een tap op een telecommunicatie-inrichting wordt geplaatst om een lijn af te luisteren. De eis dat de verdachte zelf aan een gesprek deel moet nemen is uit de wet geschrapt. Er wordt wel omschreven wie er dan mogen worden afgeluisterd, maar dat zijn dermate vage omschrijvingen ("meer dan incidentele contacten met de criminele organisatie of haar leden", "Het hoeft niet te gaan om een bewuste betrokkenheid") dat met het grootste gemak een tap geplaatst kan worden bij de groenteboer waar een mogelijk lid van een criminele organisatie enkele keren per maand zijn boodschappen doet. Verder wordt in de nieuwe wet bepaald dat bij een ontdekking op heterdaad de officier van justitie alle gegevens mag opvragen over het telecommunicatieverkeer van een verdachte in het verleden. Hier hoeft geen toestemming door een rechter-commissaris voor te zijn gegeven en er is geen sprake van een maximumtermijn. Nog een stap verder gaat het hoofdstuk Bijzondere bevoegdheden tot opsporing voor het onderzoek naar het beramen of plegen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband. Zoals de titel al aangeeft gaat het hier om het opsporen van nog niet gepleegde misdrijven, het zogenaamde pro-actieve recherchewerk. Wanneer er een verdenking is dat een groep een ernstig misdrijf voorbereidt, mag justitie personen die deel uitmaken van die groep in de gaten houden. Hierbij hoort ook het afluisteren van telecommunicatie en het opvragen van gegevens over het telecommunicatieverkeer in het verleden. Ook dit is een flinke oprekking van de huidige wet. Op dit moment is het alleen in een aantal gevallen mogelijk via een wettelijke sluiproute pro-actief af te luisteren. De Hoge Raad heeft in de jaren zeventig al bepaald dat informatie die uit een tap afkomstig is ook mag worden gebruikt wanneer die betrekking heeft op een andere zaak dan die waarom de tap is geplaatst. Wanneer de politie op de hoogte wil blijven van het telecommunicatieverkeer van een bekende crimineel of bende, kan zij een verdenking van een strafbaar feit uit het verleden gebruiken om een tap aan te vragen en vervolgens feitelijk op de toekomst gericht gaan tappen. Deze omslachtige weg is echter niet meer nodig wanneer de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden wordt aangenomen. Het pro-actief afluisteren wordt dan een integraal onderdeel van het afluisterbeleid. Op andere punten wordt er wat meer wettelijke bescherming ingebouwd. In de wet staat dat de rechter-commissaris bij het toestemming verlenen voor een tap uitdrukkelijk moet kijken naar de legitimiteit (is er voldaan aan de wettelijke vereisten), de proportionaliteit (wordt er geen kanon tegen een mug ingezet) en de subsidiariteit (zijn er geen lichtere middelen om hetzelfde doel te bereiken). Verder wordt de tapvergunning beperkt tot vier weken en wordt zij gekoppeld aan een meldingsplicht achteraf aan degene die getapt is (notificatieplicht). De officier van justitie moet een afgeluisterde persoon vertellen dat hij of zij is afgeluisterd. Er wordt in de wet echter geen termijn genoemd, maar de vage aanduiding "zodra het belang van het onderzoek dat toelaat." Verder blijft de notificatie achterwege, "indien uitreiking van de mededeling redelijkerwijs niet mogelijk is." Meer dan genoeg uitvluchten dus voor justitie om af te zien van de melding aan degene die is afgeluisterd.

Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV).
Zoals in alles nemen de inlichtingendiensten ook op het gebied van de afluisterwetgeving een bijzondere plaats in. In de huidige wetgeving op het gebied van inlichtingendiensten, die dateert van 1988, staat niks over afluisteren geschreven. Onder verwijzing naar artikel 15 WIV: "De coördinator en de hoofden van de diensten zijn bevoegd zich voor het verkrijgen van gegevens te wenden tot andere overheidsorganen, overheidsdiensten of ambtenaren, en voorts tot een ieder die geacht wordt deze gegevens te kunnen verstrekken", kan echter zonder enige moeite elke afluisteractiviteit gelegitimeerd worden. De bevoegdheid is verder geregeld door strafuitsluiting voor de BVD in artikel 139 Wetboek van Strafrecht, zoals hierboven al is beschreven.

Inmiddels is er een nieuwe WIV in de maak die de bevoegdheden omschrijft van de BVD en MID (die overigens in deze nieuwe wet Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst en Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD en MIVD) gaan heten). Op het gebied van afluisteren wordt het volgende geregeld: Zowel de BVD als de MID mag elke vorm van telecommunicatie aftappen, opnemen en afluisteren, waarbij ze ook eventuele versleuteling ongedaan mogen maken. Zij hebben hier toestemming voor nodig van de minister van Binnenlandse Zaken. Deze geeft vervolgens vergunningen af voor de duur van drie maanden. Opmerkelijk is de paragraaf te noemen die iedereen verplicht met de inlichtingendiensten mee te werken om eventuele versleuteling ongedaan te maken. Deze verplichting geldt ook voor degene die zelf een bericht of bestand versleuteld heeft. Verder hebben de inlichtingendiensten onbeperkte en ongecontroleerde toegang tot abonneegegevens van alle telecommunicatieleveranciers en onbeperkte, ongecontroleerde toegang tot zogenaamde printgegevens (wie belt wanneer met wie en hoelang duurt dat) uit verleden, heden en toekomst.

De Wet computercriminaliteit
De Wet computercriminaliteit uit 1993 is vooral gericht tegen hacken, dat door de introductie van de term computervredebreuk in het Wetboek van Strafrecht bestreden wordt. Daarnaast zijn ook enige vormen van digitaal afluisteren expliciet strafbaar gesteld door ze op te nemen in het al eerder genoemde artikel 139 WvS. Genoemde voorbeelden zijn het lezen van andermans e-mail, het meelezen van datastromen binnen of buiten de eigen omgeving (op intranet en op internet) en het keyboard-loggen (opnemen van of meekijken met toetsaanslagen). Verder werd het aftappen van alle gegevensverkeer via de telecommunicatie-infrastructuur geregeld. Was tot de introductie van deze wet alleen het afluisteren van telefoon en telex geregeld, na de introductie in 1993 was er ook een wettelijke basis om faxen, e-mail en ander telecommunicatie-verkeer af te luisteren.

De Wet computercriminaliteit 2 richt zich op modernere vormen van computergebruik en dan met name op het Internet. Het heeft daarom zijdelings met afluisteren te maken. Het wetsvoorstel wordt binnenkort bij de Tweede Kamer ingediend. Een kort overzicht van de voorstellen, voor zover ze betrekking hebben op afluisteren van het Internet: - Wanneer het wetsvoorstel wordt aangenomen zullen Internetproviders niet verantwoordelijk zijn voor de gegevens die op hun computers staan. Zij krijgen daarmee dezelfde positie als een uitgever, die niet strafbaar is voor het uitgeven van een verboden boek, mits hij aan een aantal voorwaarden voldoet. De provider moet bekend maken welke persoon er achter een bepaalde account zit. Bovendien moet hij al het mogelijke doen om verdere verspreiding te voorkomen. De provider hoeft echter niet zelf alles te controleren wat op zijn computers staat. Hij hoeft pas op te treden wanneer er door een rechter is geconstateerd dat er onrechtmatig wordt gehandeld. Dit is bedoeld om vrijheid van drukpers te garanderen en om zelfcensuur te voorkomen. Deze wet moet trouwens ook gaan gelden voor organisaties die radio- en tv-programma's uitzenden, boekhandelaren en bioscoop-exploitanten. Door Internetproviders te dwingen mee te werken aan de vervolging van hun klanten wil de regering verspreiding tegengaan van bijvoorbeeld kinderporno en racistische propaganda. Maar het kan net zo goed gebruikt worden tegen de staat onwelgevallige meningen van hele andere aard. Hier valt bijvoorbeeld te denken aan het data-asiel dat verleend wordt aan Radikal. Verboden in Duitsland, wordt de inhoud van het blad sinds december 1995 gepubliceerd op het Nederlandse deel van Internet. - Verder wordt er in het wetsvoorstel geregeld welke bevoegdheden een politie-agent heeft op het Word Wide Web (WWW). Hij mag sowieso op het WWW rondkijken, zoals iedereen. Opmerkelijk is dat de wet stelt dat politieagenten zich onder pseudoniem op het Internet mogen begeven, omdat dit op het Internet een gebruikelijke gang van zaken zou zijn. Wanneer ze echter structureel onderzoek naar personen gaan doen, moet er wel sprake zijn van een ernstige verdenking. Verder moeten de agenten zich tijdens hun onderzoek beperken tot Internet voor zover dat zich fysiek in Nederland bevindt. Voor opsporing naar strafbare activiteiten op delen van het Internet die buiten de Nederlandse jurisdictie liggen zal de politie een beroep moeten doen op opsporingsdiensten in andere landen. - Het meest ingrijpende deel van de voorgestelde wet gaat echter over het gebruik van encryptie (versleuteling van gegevens). De wet wil een verdachte verplichten de sleutel van een gecrypt stuk aan justitie af te geven. Justitie beseft dat de kans groot is dat deze opzet bij verdere rechtspraak flinke klappen zal oplopen, want het memorie van toelichting besluit met de paragraaf: "Voor de wijze waarop de rechter van deze clausule gebruik zal maken, zal verdere jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens mede richtinggevend zijn." De Wet computercriminaliteit 2 is momenteel in behandeling bij de Raad van State en het is onduidelijk wanneer dit wetsvoorstel bij de Tweede Kamer zal worden ingediend. Er zijn echter sterke aanwijzingen dat het voorstel om het afgeven van crypto-sleutels verplicht te stellen inmiddels uit het voorstel is geschrapt. Of daar andere regelgeving ten aanzien van cryptografie voor in de plaats zal komen is vooralsnog onduidelijk.

Conclusie
Het tamelijk belegen voorbeeld van George Orwell verdient het niet meer om uit de kast gehaald te worden. Met de bovengeschetste juridische mogelijkheden, gecombineerd met de huidige stand van de techniek hoeven we ons weinig illusies te maken over wat de gemiddelde wetsovertreder te wachten staat. Ook de wettelijke gegarandeerde controle stelt in de praktijk weinig tot niets voor. In de huidige praktijk zijn tapvergunningen al standaardteksten in de justitie-computer die, eenmaal voorzien van de gestempelde handtekening van een rechter-commissaris, hun werk kunnen doen. Het is echter wel zeer waarschijnlijk dat het gros van de hierboven weergegeven wetten in de nabije toekomst veel minder belangrijk wordt. Met het toestaan van direct afluisteren zal dit middel ongetwijfeld een flinke vlucht gaan nemen als opsporingsmiddel voor politie en justitie.

Afluisteren over de grensen

Politie- en veiligheidsdiensten zijn technisch tot heel wat in staat als het afluisteren betreft. De vraag is of alles wat kan, ook mag. Politie en justitie proberen de wettelijke basis voor de afluisterpraktijken steeds verder op te rekken. In toenemende mate vindt afstemming van de wettelijke mogelijkheden op internationaal niveau plaats.

ILETS
Sinds 1987 bestaat er een informeel internationaal samenwerkingsverband dat het aftappen van communicatie als onderwerp heeft. Deze Quantico-groep, oftewel ILETS (International Law Enforcement on Telecommunications Seminar), is een initiatief van de Amerikaanse FBI. Op de achtergrond speelt de National Security Agency (NSA), Amerika's meest geheime dienst en gespecialiseerd in het afluisteren van alles wat afluisterbaar is, een sturende rol. De snelle technologische ontwikkelingen in de telecommunicatiesector, de privatisering van de sector en de opkomst van globale communicatiesystemen vormden de aanleiding voor de Verenigde Staten om de samenwerking te zoeken met andere Westerse mogendheden. De lidstaten van de Europese Unie, de ­ toen nog ­ aspirant EU-lidstaten Noorwegen, Zweden, Finland en Oostenrijk, en de Echelonpartners Australië, Nieuw Zeeland, Canada en Hong Kong zijn de vaste deelnemers aan de vergaderingen. De Quantico-bijeenkomsten hebben grofweg twee doelen. Het eerste doel is gezamenlijke actie naar de telecommunicatie-industrie. Het tweede doel is de samenwerking verbeteren tussen de justitiële autoriteiten en de afluisterwetgeving op elkaar af te stemmen.

De benadering van de telecommunicatieindustrie
Vroeger was het aftappen van telefoonlijnen een relatief simpele aangelegenheid. De technologie was niet al te ingewikkeld en de telefoonmaatschappijen waren in handen van de overheid. Sinds de telecom-markt geprivatiseerd is zijn telecomaanbieders als paddestoelen uit de grond geschoten. De technologie heeft tot tal van nieuwe communicatiemiddelen geleid en in toenemende mate vindt de communicatie internationaal plaats. De vraag waar de afluisteraars mee worstelden was: hoe slagen we er in het groeiende communicatie-oerwoud van GSM, satelliet-telefonie, e-mail, Internet en andere moderne snufjes afluisterbaar te houden? De integratie van moderne encryptietechnologie in communicatiemiddelen was daarbij een extra zorg voor de justitiële koppen. De ILETS-deelnemers wilden garanderen dat de private telecomaanbieders net zo constructief meewerkten aan de aftapwensen als de aloude staatsbedrijven. Daarnaast was het van belang dat al in de prille ontwerpfase van nieuwe technologieën rekening zou worden gehouden met de aftapbaarheid ervan. In 1993 legde de FBI een verlanglijstje met de naam Law Enforcement Requirements for the Surveillance of Electronic Communications aan haar partners voor. Het lijstje somde de technische eisen op waarmee de telecom-industrie kon worden benaderd. De lidstaten van de Europese Unie besloten in juni 1993 tot onderlinge harmonisatie van hun afluisterwetgeving over te gaan. Tijdens de bijeenkomst van de Europese Raad voor Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ-Raad) in november 1993, namen de ministers een resolutie aan over de interceptie van telecommunicatie. In de resolutie werd een deskundigengroep in het leven geroepen, die namens de EU een lijst "technische eisen" moet opstellen. Deze technische eisen werden voorgelegd aan de andere leden die de bijeenkomst in Quantico bijwoonden, om te "voorkomen dat de discussie alleen gebaseerd wordt op de eisen van de FBI." De aldus gezamenlijk geformuleerde technische eisen staan bekend als IUR 1.0. IUR staat voor International User Requirements. De Werkgroep Politiële Samenwerking van de JBZ-Raad kreeg de opdracht een rapport op te stellen over de stand van zaken in de moderne telecomwereld. In deze werkgroep is voor Nederland naast de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) ook de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) afgevaardigd. De eerste contacten met verschillende consortia hebben diverse resultaten laten zien, variërend van grote bereidheid tot samenwerking, tot de weigering om de kwestie zelfs maar te bediscussiëren," schrijft de werkgroep. "Daarom moeten de regeringen de nieuwe consortia bewust maken van hun verantwoordelijkheden." Na uitvoerige discussies in 1994 over een door Nederland opgesteld ontwerpbesluit, nam de JBZ-Raad op 17 januari 1995 een resolutie aan over de "lawful interception of communication". De resolutie werd via de zogenaamde schriftelijke procedure aangenomen: per fax verleenden de lidstaten hun goedkeuring aan de resolutie. Geen enkel nationaal parlement, noch het Europees Parlement, was op de hoogte van de resolutie. De resolutie werd pas in november 1996 officieel gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. De resolutie bestaat uit drie delen. In een korte resolutie wordt gesteld dat de interceptie van telecommunicatie een "belangrijk instrument is voor de bescherming van nationale belangen, in het bijzonder nationale veiligheid en het onderzoek naar serieuze criminaliteit." In de Requirements, letterlijk overgenomen van IUR 1.0, worden de technische eisen opgesomd waaraan telecom-aanbieders moeten voldoen. In een bijgevoegde glossarum staan definities opgesomd. Uit de Requirements wordt duidelijk dat er nogal wat verlangens leven. Daarbij wordt ook duidelijk dat het officiële motto van de plannen - we dreigen de slag met de moderne crimineel te verliezen - een wat al te bescheiden formulering van de eigen inzet is. De wetshandhavers proberen vooral de ongekende mogelijkheden die de nieuwe technologieën bieden voor het observeren en afluisteren van personen, ten volle te benutten. Zo wenst men niet alleen gesprekken zelf, in real-time, af te luisteren (desnoods door meerdere diensten tegelijk), maar wil men ook inzicht krijgen in alle andere data die de moderne technologie genereert: verbindingen die niet tot stand zijn gekomen, wie heeft wie wanneer geprobeerd te bellen, wie belt regelmatig met elkaar, wie gebruikt pagers of door wie wordt er via videoconferencing gecommuniceerd. Ook wil men de locatie van GSM-telefoons weten (een ideaal observatiemiddel) en moeten dienstaanbieders die hun klanten de mogelijkheid van encryptie aanbieden het afgeluisterde materiaal in klare tekst ter beschikking stellen. Daarnaast moeten de dienstaanbieders ervoor zorgen dat degene die afgeluisterd wordt niet te weten komt dat er wordt afgeluisterd, noch dat iets uitlekt over de aantallen taps die worden geplaatst, of hoe er wordt getaptDe volgende stap van de Quantico-groep was om de gezamenlijk vastgestelde aftapnormen een zo breed mogelijke werking te geven. Via een Memorandum of Understanding on the legal interception of telecommunications, dat werd ondertekend op 23 november 1995, werden andere landen op de hoogte gesteld van het Quantico-initiatief en uitgenodigd om zich achter de aftapnormen te scharen. In het memorandum staat dat "de mogelijkheden voor het afluisteren van telecommunicatie in toenemende mate bedreigd worden." Daarom is het noodzakelijk "internationale afluisterstandaarden" te introduceren en "normen voor de telecommunicatie-industrie voor het uitvoeren van afluisterorders De internationale Telecom-industrie werd benaderd met een brief aan internationale instituten die zich richten op de standaardisatie van telecommunicatieapparatuur, zoals de International Telecommunication Union (ITU) en het European Telecommunications Standards Institute (ETSI). In de brief wijzen de ondertekenende landen erop, dat ze aanbieders van telecom-diensten zullen houden aan de technische eisen zoals eerder geformuleerd. De boodschap is niet mis te verstaan: wil een telecom-aanbieder nog op de markt van de grote industrielanden komen, dan moet hij zijn apparatuur bij voorbaat afluisterbaar hebben gemaakt volgens deze normen. In 1997 nam de ITU een resolutie aan over de harmonisatie van de technische vereisten voor de bevoegde interceptie van telecommunicatie. In de Resolutie overweegt de ITU dat "de wetshandhavingdiensten en nationale veiligheidsdiensten van een belangrijk aantal leden van de ITU overeenstemming hebben bereikt over een aantal eisen voor bevoegde interceptie (de IUR)." De ITU voegt daaraan toe dat "een aantal landen dringend resultaten op dit gebied nodig heeft" en roept de verantwoordelijke ITU-werkgroepen (ITU-R en ITU-T) op "prioriteit te geven aan kwesties op dit gebied die regeringen hen vragen te bestuderen." In het European Telecommunications Standards Institute (ETSI) is het Technical Committee Security (TC SEC) verantwoordelijk voor het omzetten van de interceptie-eisen. In deze werkgroep wordt zowel gewerkt aan crypto-standaarden, als aan afluisterstandaarden in de Lawful Interception Ad hoc group. Alles handig bijelkaar, zullen we maar denken.

Samenwerking en afstemming
Het tweede doel van de ILETS-bijeenkomsten is om de samenwerking tussen de justitiële autoriteiten te verbeteren en de afluisterwetgeving op elkaar af te stemmen. Ook in dit geval wordt de technologische ontwikkeling als een bedreiging gezien. "Een verdachte woont in land A, heeft een mobiel abonnement in land B, belt weleens vanuit land C via een steunzender die in land D staat, met iemand die in land E woont en wordt verdacht van een misdrijf in land F", gaf de Werkgroep Politiële Samenwerking in 1995 als voorbeeld van de dreigende justitiële nachtmerrie. "Dit biedt de georganiseerde misdaad unieke mogelijkheden en leidt tot nieuwe bedreigingen voor de nationale veiligheid. Deze nieuwe telecommunicatiesystemen ontwikkelen zich in snel tempo tot een globaal probleem, dat alleen gecontroleerd kan worden door een globale samenwerking van een tot nu toe ongekend hoog niveau." De Werkgroep toonde zich vooral bezorgd over de opkomst van satelliet-communicatie. Vaak bestaat er slechts een enkel grondstation dat als distributiepunt fungeert voor meerdere landen. De bestaande methoden van interceptie baseren zich op "nationale infrastructuren" schrijft de werkgroep, die zich bezorgd afvraagt of dergelijke nieuwe systemen wel onder de bestaande afluisterwetgeving vallen. De werkgroep beveelt dan ook aan de nationale afluisterwetgeving in de EU-lidstaten aan te passen, zodat ook de nieuwe communicatiemiddelen er onder vallen. Ook moeten de Europese regeringen "nieuwe regels voor samenwerking opstellen opdat de noodzakelijke observatie mogelijk zal zijn." In 1995 werd een rapport gepresenteerd met een overzicht van de nationale afluisterwetgeving in de EU-lidstaten. "Er lijkt geen wettelijk probleem te zijn voor de interceptie van apparaten die worden gebruikt voor de transmissie van stem, data of afbeeldingen" staat in het rapport. Met een paar eenvoudige aanpassingen kunnen Duitsland, Oostenrijk, Denemarken, Luxemburg, Spanje en Portugal hun wetgeving op orde brengen. België, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Griekenland, Noorwegen en Zweden moeten nieuwe wetgeving invoeren. Het rapport bejubelt de grote voordelen voor politie en justitie "als personen geobserveerd kunnen worden op basis van het vermoeden van criminele activiteiten." Helaas vereist de wetgeving in sommige lidstaten dat er ook objectief bewijs is voor betrokkenheid bij een misdaad, voordat er getapt mag worden. Een ander probleem is dat volgens het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) een verdachte op de hoogte moet worden gebracht van het aftappen. "Natuurlijk zal zulke informatie het resultaat van het politieonderzoek verstoren" schrijft de Werkgroep Politiële Samenwerking. "Daarom moet elk land ervoor zorgen dat er een wettelijke procedure komt om het op de hoogte brengen te vertragen." De verschillende resoluties die door de JBZ-Raad zijn aangenomen, zijn geen verbindende instrumenten. Lidstaten kunnen in principe kiezen of ze de uitgangspunten willen vastleggen of niet. In alle EU-lidstaten zijn de resoluties gebruikt als norm voor de eigen wetgeving. Ook in Nederland duiken in Kamerstukken over afluisterkwesties steeds de resoluties op, als de Europees geformuleerde norm waar de regering zich op richt.

Internet en encryptie
Een volgende stap op het Europese afluistergebied wordt gezet met het Actieplan ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, dat werd aangenomen tijdens de Europese Raad van Amsterdam in juni 1997. In het Actieplan staat dat er een verdrag inzake wederzijdse rechtshulp bij strafzaken moet komen. In dit verdrag wordt de juridische samenwerking bij grensoverschrijdende strafrechtelijke onderzoeken vastgelegd. Naast afspraken over het horen van verdachten die zich in andere landen bevinden en het grensoverschrijdend toepassen van bijzondere opsporingsmethoden, zoals gecontroleerde aflevering en infiltratie, is ook de samenwerking bij het afluisteren onderdeel van het verdrag. De onderhandelingen over het verdrag worden aangegrepen om ook de technische aftapnormen aan de noden van de tijd aan te passen. Vooral het Internet en cryptografie staan in het middelpunt van de belangstelling. In september 1996 boog de Europese Raad voor Telecommunicatie zich al over de mogelijke problemen van Internet. Centraal stond de bestrijding van kinderporno en ander ongewenst materiaal dat via het Internet verspreid kan worden. Even daarvoor had de JBZ-Raad zich tijdens een informele bijeenkomst ook al over het Internet en de verspreiding van illegaal materiaal gebogen. Een serie Europese topbijeenkomsten waarin de informatiemaatschappij centraal staat, volgten de jaren daarop. Naast kwesties als het ontwikkelen van electronische handel en de juridische inkadering van Internet, komen ook steeds de strafrechterlijke aspecten aan bod, meestal via de connectie met kinderporno. Complicerende factor is dat de Europese Commissie met haar mededeling uit 1997, Zorgen voor veiligheid van en vertrouwen in electronische communicatie: naar een Europees kader voor digitale handtekeningen en encryptie, sterk inzet op encryptie als noodzakelijke voorwaarde voor het ontwikkelen van e-commerce. De economische belangen van de Europese Unie en de wensen van justitie en politie botsen hier stevig op elkaar. Een deel van de oplossing wordt gezocht in vrijwillige samenwerking tussen de autoriteiten en Internet-aanbieders, het inrichten van meldpunten voor kinderporno, en bewustwordingscampagnes. Voor het hardere strafrechterlijke optreden komt de JBZ-Raad in actie. Tijdens een informele bijeenkomst van de JBZ-ministers in januari 1998 werd gesproken over encryptie en wetshandhaving. De ministers verklaarden zich "voorstander van de mogelijkheid van legale interceptie van geïncrypteerde elektronische communicatie uit een oogpunt van handhaving en van binnenlandse veiligheid." Nederland opperde de mogelijkheid om het stellen van voorwaarden aan de aanbieders van cryptografische diensten te bestuderen teneinde "het bevoegd aftappen mogelijk te houden voor de rechtshandhaving en nationale veiligheid." Op 28 mei 1998 namen de JBZ-ministers een resolutie aan over deze materie. Hierin stelt de Raad dat het een Third Trusted Party-systeem wil bevorderen: het in bewaring geven van de encryptiesleutel bij derden. Want zo kan ook justitie toegang krijgen tot de sleutels. Volgens de Raad mogen wetshandhavingsdiensten een aanvraag doen voor legale toegang tot encryptiesleutels, "zonder dat de gebruiker van de cryptografiedienst ervan op de hoogte is." De Raad besluit om een nadere resolutie op te stellen, waarin de lidstaten wordt verzocht bij de ontwikkeling van hun nationale beleid rekening te houden met de behoeften van wetshandhaving. De eerste nieuwe technische eisen lekken uit in september 1998. In document Enfopol 98, dat het Duitse Internetmagazine Telepolis publiceert, staat een catalogus van eisen opgesomd. De technische eisen zijn wederom opgesteld door de IUR, tijdens bijeenkomsten in Dublin in 1997 en Rome, Wenen en Madrid in 1998. Telde IUR1.0 nog vier bladzijden, Enfopol 98 beslaat maar liefst 36 bladzijden. In de Enfopol 98 ontwerp-resolutie staat dat de JBZ-ministers vinden dat de uit 1995 stammende richtlijnen ook van toepassing zijn op nieuwe communicatiemiddelen zoals satelliet-communicatie en het Internet. Op grond van de "voortschrijdende technische ontwikkeling" in de telecom-sector, zijn echter "toelichtende aanvullingen, inclusief veiligheidsmaatregelen en deelnemer-relevante data bij Internet-bedrijven en dienstaanbieders noodzakelijk geworden", stelt de resolutie. Uit Enfopol 98 blijkt dat de Europese landen het zekere voor het onzekere nemen: álle vormen van communicatie moeten aftapbaar zijn. Telefoongesprekken, e-mail, versleutelde berichten, piepers, doorgeschakelde nummers, faxen, ISDN-lijnen, mobiele telefoons, satellietverbindingen, voicemail, tele-vergaderingen ­ het moet direct afluisterbaar zijn. Ook verbindingen die niet tot stand komen worden geregistreerd. Binnen "milliseconden" moet het dataverkeer doorgeschakeld zijn naar de tapkamers. Als het nodig is moeten meerdere diensten uit verschillende landen tegelijkertijd kunnen meeluisteren. Extra aandacht wordt besteed aan Internet. Passwords, de wegen die op het Internet bewandeld worden, de e-mail-correspondentie, informatie die wordt gedownload ­ justitie wil erover kunnen beschikken. Telecombedrijven die encryptie als dienst aan hun abonnees aanbieden worden verplicht bij justitie de sleutel in te leveren, of de getapte gesprekken in klare taal door te geven. "De wettelijk bevoegde autoriteiten moeten het gehele telecommunicatieverkeer permanent en in real time kunnen observeren" valt in het document te lezen. De Justitieministers worden opgeroepen om de eisen door te spelen aan de voor telecommunicatie verantwoordelijke ministers en er gezamenlijk voor te zorgen dat het beleid geïmplementeerd wordt. Uit latere versies van het document wordt duidelijk dat de verschillende onderdelen in partjes worden opgedeeld en op verschillende niveaus verder besproken. De kwestie van de encryptie bijvoorbeeld moet apart worden behandeld, gezien de vele overlappingen met andere EU-initiatieven op dat gebied. Encryptie heeft een belangrijk raakvlak met e-commerce. Vanuit het bedrijfsleven is dan ook veel weerstand ontstaan tegen de eisen die op JBZ-niveau zijn geformuleerd. Ook wordt het afluisteren van Internet als apart onderdeel verder uitgewerkt; de technische problemen daarmee zijn nog steeds erg groot. Internetproviders verwijzen de wensen van de JBZ-Raad naar het rijk der onmogelijkheden. Wel wordt duidelijk dat in dezelfde richting wordt gedacht als de NSA, die op Internet-knooppunten "snuffel-software" heeft geïnstalleerd om e-mail en Internet-verkeer te observeren. Met behulp van digitale woordenboeken en slimme zoekprogramma's worden de onderschepte berichten gescand op trefwoorden. Het opdelen van de oorspronkelijke resolutie in deelonderwerpen is een niet ongebruikelijke gang van zaken binnen de EU. Als een onderwerp te veel problemen oplevert of te veelomvattend is, wordt de politieke overeenstemming apart bezegeld en de resterende "technische" problemen in verschillende werkgroepen uitgewerkt. De politieke toestemming om aan de slag te gaan is dan wel gegeven. Naar verwachting wordt die politieke goedkeuring in het najaar van 1999 gegeven.

Problemen bij grensoverschrijdend aftappen
De concrete samenwerking bij het aftappen komt ook niet zo vlot van de grond. Over de aftapparagraaf in het verdrag inzake wederzijdse hulp in strafzaken is nog steeds geen overeenstemming bereikt. De problemen spitsen zich toe op satelliet-telefonie, zoals die sinds dit jaar als eerste door het Amerikaanse concern Iridium wordt aangeboden. Binnenkort volgt Globalstar. Iridium heeft in Europa slechts één grondstation staan, dat al het satelliet-telefoonverkeer voor Europa afhandelt. Dat station staat in Italië. Het grondstation straalt de communicatie vervolgens door naar nationale dienstaanbieders in de andere landen, die de verbinding met de abonnee verzorgen. De Europese ambtenaren gingen ervan uit, dat de Iridium-telefoons alleen aftapbaar waren via het Italiaanse grondstation. Voor elke tap moest dan een rechtshulpverzoek bij Italië ingediend worden. Iridium liet echter weten dat het technisch ook mogelijk is dat de dienstaanbieder via een afstandsbediening de communicatie bij het grondstation onderschept. De Nederlandse justitie bijvoorbeeld, hoeft dan niet via een rechtshulpverzoek aan Italië te vragen de knop om te zetten, maar kan rechtstreeks bij de Nederlandse dienstenverstrekker aankloppen. Een meerderheid van de ambtelijke onderhandelingsdelegaties omarmde deze "afstandsbediening-optie" en beval de JBZ-Raad aan hiermee in te stemmen. "Zo wordt de moeizame en tijdrovende omweg via het land waar het grondstation zich bevindt overbodig", vermeldt het verslag. Het bleef nog onduidelijk hoe afgetapte signalen moeten worden doorgegeven als een verdachte met een mobiele telefoon van land A naar land B reist. Uit respect voor elkaars soevereiniteit stopt land A dan het afluisteren en vraagt land B het aftappen over te nemen. Land B stuurt vervolgens de aftapgegevens weer naar land A. Iridium liet weten "praktisch uitvoering te kunnen geven aan elk akkoord tussen de lidstaten." Italië weigert echter vooralsnog met deze oplossing in te stemmen. Het ziet deze als een inbreuk op haar soevereiniteit. Italië wil dat voor elke tap zijn officiële toestemming wordt gevraagd. Zo kan het in de gaten houden wat er zoal afgetapt wordt van het grondstation en toetsen of dat in overeenstemming is met zijn eigen afluisterwetgeving.
De andere delegaties vinden dat onzin. Er wordt in feite niet op Italiaans grondgebied afgetapt, redeneren ze, dus is de Italiaanse soevereiniteit niet in het geding. Een eenmalige machtiging van Italië aan elke lidstaat om de afstandsbedienings-optie te gebruiken moet volstaan. "De lidstaat die het grondstation heeft kan niet zijn constitutionele principes naar de andere lidstaten exporteren", schreef de ambtelijke onderhandelingsgroep in maart 1998 in reactie op de Italiaanse bezwaren. De Europese lidstaten moeten echter nóg een interessant probleem zien op te lossen. Engeland beschikt dankzij zijn deelname aan het Echelon-netwerk over de technische mogelijkheid om rechtstreeks verdachten in andere landen af te luisteren. Een aantal landen wil in het verdrag vastleggen dat dit voortaan gemeld moet worden. Het land op wiens grondgebied wordt afgeluisterd kan eisen dat het afluisteren gestaakt wordt. Hier wil Engeland echter niets van weten. In de laatste versie van het ontwerp-verdrag met betrekking tot rechtshulp in strfazaken wordt een compromis voorgesteld. De verplichting om landen op de hoogte te brengen van het afluisteren over de grenzen heen geldt alleen in criminele onderzoeken. Als het gaat om afluisteren door inlichtingendiensten geldt de verplichting niet. Maar Engeland geeft zelf aan hoe dun de grens is. Zijn inlichtingendiensten luisteren soms ook af in het kader van criminele onderzoeken. De Engelse geheime dienst heeft, net als veiligheidsdiensten in een aantal andere landen, ook georganiseerde criminaliteit in haar portefeuille. Ook in dat geval wil Engeland niet verplicht zijn het afluisteren aan andere landen te melden. Een laatste eis die Engeland op tafel heeft gelegd vormt ook een uitzondering op de meldplicht. Soms, zeggen de Engelsen, heb je niet onmiddellijk door dat een verdachte over de grens is gegaan en zich op het grondgebied van een andere staat bevindt. Of de verdachte is slechts voor een paar uur over de grens. Voor de eerste 24 uur dat een verdachte zich op ander grondgebied bevindt, wil Engeland de handen vrij houden. De JBZ-Raad hoopt alle resterende problemen in het najaar van 1999 opgelost te hebben.

De bestrijding van high-tech criminaliteit
De beraadslagingen over het rechtshulpverdrag en de opstelling van de nieuwe User Requirements zijn niet de enige stappen die Europa, in nauwe samenwerking met de Verenigde Staten, zet op het gebied van de aftapbaarheid van datacommunicatie, encryptievraagstukken en de juridische regels op dit gebied. De Europese Unie heeft ook een actieplan tegen de high-tech criminaliteit in de maak. Ook dit plan vloeit voort uit het in 1997 aangenomen actieplan ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. De Multidisciplinaire Groep Georganiseerde Criminaliteit (MDG), een ambtelijke werkgroep van de JBZ-Raad, meldt dat in november 1997 een "zeer geslaagde bijeenkomst over de bestrijding van high-tech criminaliteit heeft plaatsgevonden met de Verenigde Staten, de Raad van Europa en andere deelnemers." In een voortgangsverslag meldt de MDG dat ze de opening naar "essentiële landen en organen buiten de EU heeft bevorderd" en dat haar bijeenkomsten worden bijgewoond door vertegenwoordigers van de Verenigde Staten, Canada en de Raad van Europa. Zowel Europol als de Werkgroep Politiële Samenwerking hebben bijeenkomsten georganiseerd over de interceptie van Internet. De MDG zoekt naar mogelijkheden om samenwerking tot stand te brengen buiten de formele juridische kaders om, die als bureaucratisch en tijdrovend worden afgedaan. Het beveelt "niet-bureaucratische, informele praktische regelingen" aan. Ook stelt de MDG zich de vraag of er voor grensoverschrijdende samenwerking wel formele regelingen nodig zijn. Inbeslagname van bewijsmateriaal, zoals bijvoorbeeld datatransmissiegegevens, zou ook mogelijk moeten zijn zonder formele vereisten, denkt de werkgroep. De Europese activiteiten tegen high-tech criminaliteit ­ waarbij computers en Internet centraal staan ­ worden nauw afgestemd op de activiteiten van de P8, de club van rijke industrielanden, en de Raad van Europa, waarin 45 Europese landen zitting hebben. De ministers en adviseurs van wetenschap van de G8, (de zogenaamde Carnegiegroep), stelden in 1996 een deskundigengroep Misbruik van internationale datanetwerken in. In oktober 1997 bracht deze een rapport uit. De toon is relatief mild. De technische en juridische experts vinden het belangrijk dat rechtsbescherming en privacy gegarandeerd worden op het Internet en stellen dat er veel waarborgen moeten zijn voordat justitie mag ingrijpen. Ze zoeken de oplossingen van het misbruik van Internet of de verspreiding van kwalijke inhoud vooral in bewustwording, verantwoordelijk gedrag van providers en gebruik van encryptie om de privacy en veiligheid te waarborgen. In 1997 vond er een speciale bijeenkomst plaats van de Justitieministers van de P8 over high-tech crime. De toonzetting is een tikje anders. De P8 nam een aantal besluiten. "Rechtssystemen dienen het bewaren van en de snelle toegang tot elektronische gegevens toe te staan, aangezien het welslagen van een onderzoek naar criminaliteit vaak daarvan afhankelijk is", luidt een van de beginselen. "Informatie- en telecommunicatiesystemen moeten zodanig worden ontworpen dat het opsporen van misdadigers en het vergaren van bewijsmiddelen wordt vergemakkelijkt", luidt een ander beginsel. In het tien punten tellende actieplan wordt ambtenaren ondermeer de opdracht gegeven om "uitvoerbare oplossingen" te zoeken voor het "met behulp van computers zoeken naar gegevens wanneer niet bekend is waar de gegevens zich bevinden." Ook moeten er "versnelde procedures" worden ontwikkeld voor het "verkrijgen van verkeersgegevens van alle communicatiedragers in een communicatieketen" en moeten er manieren worden verzonnen om het "internationaal doorgeven van die gegevens te versnellen." Tijdens een bijeenkomst van de P8 in Birmingham in mei 1998, werden de P8-leiders onthaald op een videopresentatie over high-tech criminaliteit. De Britse premier Tony Blair had de bestrijding van georganiseerde criminaliteit hoog op de agenda gezet. De videopresentatie liet zien hoe internationale criminelen in toenemende mate internationale e-mail en computerverbindingen gebruiken om hun activiteiten te ontplooien en hoe justitie en politie terugslaan. De P8-landen kwamen overeen passende straffen tegen cyber-crime in hun nationale wetgeving op te nemen, betere technieken tegen hackers in te zetten en te voorkomen dat computercriminelen de "perfecte misdaad" plegen door elektronisch bewijsmateriaal te vernietigen. De Engelse minister van Binnenlandse Zaken Jack Straw verklaarde na de bijeenkomst: "Een van de problemen die we moeten ondervangen is dat iemand vanuit zijn leunstoel in verschillende landen misdaden kan begaan. Computer-expertise is ook essentieel in de bestrijding van ouderwetse misdaad als drugshandel, gewapende overvallen en mensensmokkel. Op een zeker moment moeten ze hun opbrengsten witwassen. Op dat punt verandert ouderwetse criminaliteit in 21e eeuw criminaliteit. De uitdaging voor ons is om niet langer een stap achter de criminelen aan te lopen, maar ze een stap voor te zijn." Een van de concrete maatregelen die de P8 hebben genomen is de instelling van een contactennetwerk dat 24 uur per dag bereikbaar is. Door rechtstreekse contacten tussen specialisten worden opgevraagde computerdata of transmissiegegevens inmiddels binnen 24 tot 48 uur geleverd. In een interview verklaarde Scott Charney, de voorzitter van de P8-werkgroep High-tech criminaliteit, dat de P8-landen een voortrekkersrol willen spelen. In de werkgroep wordt ondermeer gediscussieerd over het probleem van anonieme Internetgebruikers, de mogelijkheid transmissiegegevens van klanten voor een bepaalde tijd te bewaren en de harmonisering van wetgeving. Volgens Charney worden de in de P8 bereikte resultaten voorgelegd aan andere gremia, zoals de Raad van Europa, om in verbindende overeenkomsten om te zetten. Om het bereik zoveel mogelijk uit te breiden, onderhoudt het P8-netwerk ook contacten met Interpol en de Organisatie van Amerikaanse Staten. Charney wijst op het belang van samenwerking met de industrie. "Het is mogelijk om technische standaarden vast te stellen, die de openbare veiligheid ondersteunen. Landen moeten naar standaardisatiegremia niet alleen hun technici en wetenschappers sturen, maar ook deskundigen op het gebied van strafvervolging. Als de strafvervolging in de 21e eeuw zich voltrekt in de omgeving van een globale markt, hebben we een plug-in nodig op de marktspelers, die het resultaat van opsporingsonderzoeken kunnen beïnvloeden."

Ten slotte is het werk in de Raad van Europa van belang.
Sinds eind jaren tachtig houdt de Raad van Europa zich bezig met criminaliteit en de nieuwe technologieën. In 1995 nam de Raad van Europa een resolutie aan over de bestrijding van computercriminaliteit. Een dergelijke resolutie is niet juridisch verbindend; het roept de lidstaten op de conclusies over te nemen en om te zetten in nationale wetgeving. De resolutie roept op het doorzoeken en veiligstellen van data van computersystemen en netwerken mogelijk te maken. Ook moet het voor verdachten verplicht worden om toegang tot de computersystemen te verschaffen en encryptiesleutels af te staan. De Raad van Europa besteedt ook aandacht aan interceptieproblemen. Technische observatie moet worden uitgebreid van traditionele telecommunicatie naar nieuwe communicatiemiddelen. Telecommunicatie-aanbieders moeten politie en justitie op alle mogelijke manieren helpen om interceptie mogelijk te maken. Ook moeten ze behulpzaam zijn bij het identificeren van gebruikers. Daarnaast roept de Raad van Europa op tot betere internationale samenwerking. In 1997 stelt de Raad van Europa het Committee of Experts on crime in cyber-space in. In de "terms of references" wordt gewezen op de problematiek van het internationale Internet en de traditionele nationale politie- en justitiediensten. "Een gecoördineerde internationale inspanning is nodig om met deze kwesties om te gaan." Het comitee moet onderzoek verrichten naar cyber-criminaliteit, de interceptie van telecommunicatie en de electronische observatie van informatienetwerken onderzoeken. Daarnaast bekijkt het comitee de mogelijkheden om Internet-sites te doorzoeken en materiaal ervan in beslag te nemen, de verplichtingen die aan providers kunnen worden gesteld, de problemen die bij encryptie spelen, hoe er internationaal kan worden samengewerkt en welke wetgeving geharmoniseerd moet worden. Het comité moet een verdrag opstellen over deze kwesties, hetgeen dus een juridisch verbindende werking heeft voor de lidstaten. Het verdrag is naar verwachting eind 1999 klaar. De Nederlandse regering heeft in diverse Kamerstukken over wetshandhaving op de elektronische snelweg aangegeven het verdrag als een zeer belangrijk instrument te zien om de internationale samenwerking en harmonisatie van wetgeving op dit gebied tot stand te brengen. Inmiddels hebben de EU-lidstaten een zogenaamde gemeenschappelijke positie geformuleerd voor hun inzet bij de onderhandelingen over het verdrag. De lidstaten pleiten onder meer voor de instelling van permanent toegankelijke contactpunten voor wetshandhaving om "snelle samenwerking te vergemakkelijken." Lidstaten moeten zich eraan verbinden gegevens die op hun grondgebied zijn opgeslagen "in het kader van onderzoek naar ernstige misdrijven versneld op te zoeken." Heel voorzichtig wordt de mogelijkheid geopend dat een land zelfstandig een grensoverschrijdende computeropsporing verricht. De Franse politie kan dan bijvoorbeeld rechtstreeks in Nederlandse computers snuffelen. Dat zou alleen mogen bij ernstige misdrijven en als het spoedeisend is. Er moeten wel specifieke garanties zijn om de "soevereiniteit, de veiligheid, de openbare orde en andere wezenlijke belangen" van andere staten te eerbiedigen.

Inlichtingennaalden in de telecommunicatie hooiberg
Op vijf februari 1998 opent het NRC Handelsblad met de kop " Geheime dienst VS luistert Europa af ". Uit het artikel blijkt dat de Verenigde Staten al het Europese elektronische dataverkeer aftappen. Het artikel leidt tot de nodige ophef , zelfs tot kamervragen. Velen zijn er zich vaag bewust van dat er afgeluisterd wordt. Luistert er iemand mee telkens als we de telefoon oppakken? Worden al onze faxen en e-mailberichten meegelezen? Er is bijna geen informatie om te kunnen beoordelen waar realistische bezorgdheid ophoudt en waar paranoia begint. Hoe alomtegenwoordig is Big Brother? Of hoeven we ons helemaal geen zorgen te maken? In het onderstaande wordt een poging ondernomen om deze vragen te beantwoorden. Allereerst komt de Amerikaanse inlichtingendienst aan de orde die verantwoordelijk is voor het bewaken van de veiligheid van (overheids)communicatie en het afluisteren van elektronische communicatie. Vervolgens wordt ingegaan op het zogenaamde Echelon-netwerk waarmee vrijwel al het telefoon-, fax-, e-mail- en telexverkeer ter wereld wordt afgeluisterd. In het laatste gedeelte is plaats voor enkele reflecties op de behandelde materie. Er wordt ingegaan op een realistische techno-thriller, een koekjesbakkende priester en op onverwachte conclusies die uit gegevens van telefoonverkeer getrokken kunnen worden. Wat betreft de mogelijkheden in de praktijk wordt de mening van een ex-hacker tegenover die van een kunstmatige-intelligentiespecialist geplaatst.

De National Security Agency
Vrijwel iedereen heeft gehoord van de FBI en de CIA, toch is de veel minder bekende National Security Agency (NSA) de grootste, de meest geheime en waarschijnlijk de duurste inlichtingenorganisatie van de Verenigde Staten. De organisatie beschikt over afluisterposten over de hele wereld, spionageschepen en -onderzeeërs, eigen vliegtuigen en satellieten en zelfs militaire eenheden. In zijn boek The Puzzle Palace beschrijft James Bamford in 1982 het ontstaan en het functioneren van de tot dan toe vrijwel onbekende geheime dienst. De NSA is voortgekomen uit de Armed Forces Security Agency en in 1951 officieel opgericht. De twee taken van de dienst zijn het bewaken van communications security (comsec) en het verzamelen van signals intelligence (sigint). Het hoofdkwartier van de NSA, Fort Meade, is zo'n 150 kilometer van Washington gelegen. Daar bevindt zich een geheime stad waar de strengst mogelijke veiligheidsmaatregelen gelden. Er zijn winkels, restaurants, kappers, zwembaden, er is zelfs een ziekenhuis - dit alles louter voor medewerkers van de geheime dienst. En waar het allemaal om draait: in Fort Meade bevindt zich de grootste concentratie computers ter wereld. Zoals internet zijn bestaan te danken heeft aan het Pentagon - het was immers oorspronkelijk bedoeld om in geval van een nucleaire aanval te kunnen beschikken over een decentrale commandostructuur - zo heeft de expanderende Amerikaanse computer- en software-industrie veel te danken aan de NSA. Want de inlichtingendienst heeft de komst van het computertijdperk misschien niet bewerkstelligd, maar in ieder geval aanzienlijk versneld. Het is een verklaard streven van deze organisatie om vijf jaar op de state of the art voor te lopen. Dit betekent niet alleen voortdurend enorme investeringen, maar ook dat ervoor gezorgd moet worden dat de beste programmeurs, cryptografen, linguïsten en analisten op de loonlijst van de NSA staan. Momenteel beschikt de inlichtingendienst over een jaarlijks budget van ongeveer twaalf miljard dollar en zijn er naar schatting 80.000 mensen in vaste dienst. Uit veiligheidsoverwegingen mogen medewerkers zich slechts in die gedeeltes van het NSA-complex bevinden die voor hun werk noodzakelijk zijn. Alles gebeurt volgens het 'need-to-know-principe': hoe minder iemand weet over hoe en waarom bepaalde informatie verzameld wordt en wat ermee gebeurt, hoe beter. Hoe geheimer gegevens zijn en hoe minder mensen er toegang tot hebben, hoe langer de gegevens ontoegankelijk blijven voor het grote publiek en hoe kleiner de kans op ontdekking van eventuele onrechtmatige methoden die gebruikt zijn om over de gegevens te kunnen beschikken. Het is dus niet verwonderlijk dat er binnen de NSA sprake is van overclassificatie van gigantische hoeveelheden informatie, dat wil zeggen het onnodig geheim verklaren van gegevens. In de jaren vijftig beschikte de dienst wereldwijd alleen al over 4120 afluisterposten die een stroom van geheime rapporten produceerden met daarin alle onderschepte berichten. In de jaren tachtig worden er ruwweg 100 miljoen geclassificeerde documenten per jaar geproduceerd. De huidige hoeveelheid kan niet anders dan een veelvoud hiervan zijn. In feite is het bestaan van informatie die geheimer is dan geheim al een uiting van de overclassificatie. Het bekend worden of in verkeerde handen vallen van informatie die confidential , secret , of top secret is, zou de Amerikaanse belangen al respectievelijk significant, serieus en uitzonderlijk zwaar schaden. Binnen de NSA gaat nog onvoorstelbaar veel gevoeliger informatie om. Voor geheimen die geheimer zijn dan top secret zijn de volgende begrippen gereserveerd (in oplopende trap van geheimheid): moray , spoke , umbra en gamma. Waar overclassificatie toe kan leiden blijkt uit het boek Skunk Works: A Personal Memoir of My Years at Lockheed van Ben Rich, het voormalig hoofd van de Advanced Development Division van Lockheed. Hij beschrijft hoe een urinebuisverwarmer, die werd ontwikkeld voor piloten van op hoge hoogte vliegende spionagevliegtuigen, tot uiterst geheim werd geclassificeerd uit angst dat de Russen in het bezit zouden kunnen komen van deze nieuwe vitale technologie.

Bamford beschrijft dat er ondanks alle voorzorgsmaatregelen toch de nodige veiligheidslekken waren in de geschiedenis van de NSA. Enkele voorbeelden. Na zijn arrestatie in 1954 blijkt dat de NSA-medewerker in799joomlaeph Sydney Petersen sinds 1948 een jaar of zes als informant voor Nederland actief is geweest. Zijn contactpersoon was kolonel J.A. Verkuyl, een bekende cryptoloog, die hij tijdens de Tweede Wereldoorlog had leren kennen. Verkuyl was toen hoofd van de Nederlandse comint in de VS. Hij had Petersen in contact gebracht met Giacomo Stuyt, communicatie-officier op de Nederlandse ambassade in Washington. Aan hem gaf Petersen kopieën van geheime documenten, zoals bijvoorbeeld over het breken van de Nederlandse codes. Deze vriendendienst leverde Petersen vier jaar cel op.
Midden jaren vijftig besloten Martin en Mitchell, twee cryptologen van de NSA, naar de USSR te emigreren vanwege de in hun ogen onethische manier van informatievergaring van de VS Om de radar van de Sovjetunie te kunnen localiseren en analyseren, vlogen Amerikaanse militaire vliegtuigen regelmatig enkele tientallen kilometers het Sovjet-gebied binnen. Martin en Mitchell vonden dat de VS door deze manier van handelen op onaanvaardbare wijze een Derde Wereldoorlog uitlokten. Ze gaven een persconferentie waardoor de wereld voor het eerst kennis kon nemen van de werkwijze van de NSA.

Bamford beschrijft hoe de NSA informatie vergaarde op manieren die voor de FBI en de CIA nadrukkelijk verboden waren. Direct na de Tweede Wereldoorlog begon de NSA met het grootschalig aftappen van het Amerikaanse telexverkeer, de zogenaamde operatie Shamrock. Dagelijks kwam een NSA-medewerker bij de grote telefoonmaatschappijen ITT Communications, Western Union en RCA Communications banden ophalen waarop de telexberichten van het afgelopen etmaal waren opgenomen. In de roerige jaren zestig werd een begin gemaakt met operatie Minaret, een systeem waardoor automatisch de gesprekken van, met en over verdachte individuen en organisaties werden opgenomen. Op die manier werden alle telefoongesprekken over mensenrechten, anti-Vietnam demonstraties, dienstweigeren, drugsgebruik en dergelijke opgepikt. Enkele bekende namen waarvan zeker is dat ze op de lijsten voorkwamen, zijn: Abbie Hoffman, Jane Fonda en Martin Luther King. Tijdens een rechtszaak in 1973 tegen de radicale studentengroep The Weathermen kreeg een advocaat het vermoeden dat er illegale opsporingsmethoden waren gebruikt en vroeg om opheldering. Het resultaat was dat de NSA besloot tot onmiddellijke stopzetting van operatie Minaret en vernietiging van al het materiaal dat ernaar verwees. Bovendien werd de zaak tegen The Weathermen geseponeerd...

In het heetst van de Koude Oorlog lanceerde de NSA het ambitieuze plan om de Sovjet-radiocommunicatie af te luisteren door de maan als reflector te laten fungeren. Het idee was dat het technisch haalbaar zou zijn als je maar kon beschikken over een telescoop die groot genoeg was. Er kwam geld voor het megalomane plan en men ging op zoek naar een geschikte stille locatie. In West-Virginia werd het gehucht Sugar Grove gevonden en daar werd de grootste telescoop gebouwd die ooit bestaan heeft. Het project bleek een faliekante mislukking. Theoretisch zal het hele verhaal wel geklopt hebben, maar door atmosferische storingen en vermoedelijk vooral door de enorme afstanden die moesten worden overbrugd, waren er geen bruikbare signalen te ontvangen. Begin jaren tachtig kreeg de locatie een geheel nieuwe functie: het aftappen van satellietcommunicatie en het onderhouden van contact met spionagesatellieten. Vervolgens zou Sugar Grove een sleutelrol spelen in het Echelon-netwerk. De in 1960 opgerichte National Reconaissance Office (NRO) is verantwoordelijk voor de Amerikaanse spionagesatellieten. Aanvankelijk vond er een belangenstrijd plaats tussen de luchtmacht en de CIA om de controle over de NRO. Die is uiteindelijk beslist in het voordeel van eerstgenoemde. Tussen de NSA en de NRO is er echter altijd sprake geweest van een hechte samenwerking. Alle landcommunicatiesystemen kunnen in principe worden opgepikt door spionagesatellieten. Daarnaast worden ze gebruikt voor image intelligence (imint) en voor het afluisteren van telemetrische gegevens van raketlanceringen. Dit laatste was bijvoorbeeld het geval bij de Rhyolite satellieten die daardoor als een technisch controlemiddel van de SALT akkoorden fungeerden. De Russen kwamen er pas na jaren achter dat hun telemetrie werd afgeluisterd en begonnen er toen pas cryptografie op toe te passen. De grote doorbraak in satellietspionage was de komst van de Space Shuttle, want daardoor werd het mogelijk om zeer zware supersatellieten in een geostationaire baan te brengen.

Bamford beschrijft hoe in de Foreign Intelligence Surveillance Act regels zijn gegeven waarin is vastgelegd op welke wijze de NSA informatie mag vergaren. Hij besteedt veel aandacht aan de discussie over het al dan niet illegaal afluisteren van Amerikaanse burgers. Oorspronkelijk was het de NSA namelijk verboden om Amerikanen te bespioneren, tenzij een van de deelnemers aan een gesprek zich buiten de VS bevond. Op zich is deze discussie hier in deze context niet erg relevant, wel laat de formulering van de definitie van informatievergaring ( acquisition ) zien op welke wijze aanvankelijk illegale methoden achteraf gelegaliseerd zijn. Acquisition means the interception by the NSA through electronic means of a communication to which it is not an intended party and the processing of the contents of that communication into an intelligible form intended for human inspection . Er staat niet voor niets nadrukkelijk: by the NSA , zodoende is het legaal dat bevriende diensten Amerikanen in Amerika afluisteren en de zo verkregen informatie met de NSA ruilen. Er staat: through electronic means , dat betekent dat het niet verboden is banden in persoon bij telefoonmaatschappijen op te halen (dit was jarenlang de dagelijkse praktijk bij de genoemde operatie Shamrock). Bovendien staat er processing ; hieruit valt te concluderen dat de NSA eigenlijk alles mag doen om aan informatie te komen, zolang het maar niet verwerkt wordt. De NSA is een vrijwel onzichtbare en enorm machtige multinational die zich aan bijna iedere controle weet te onttrekken, met recht te vergelijken met Orwells Big Brother. Zelfs het gebruik van Newspeak is de organisatie niet vreemd: in een personeelsadvertentie stond dat de NSA op zoek was naar codemakers , terwijl het bleek te gaan om codebreakers. Twintig jaar geleden leidde de democratische senator Frank Church een commissie die onderzoek deed naar mogelijke illegale methoden van de NSA. Hij concludeerde: If this government ever became a tyranny, if a dictator ever took charge in this country, the technological capacity that the intelligence community has given the government could enable it to impose total tyranny, and there would be no way to fight back, because the most careful effort to combine together in resistance tot the government, no matter how privately it was done, is within the reach of the government to know. Such is the capability of this technology... Een schrale troost is dat het analyseren van de met de modernste technische middelen verkregen informatie uiteindelijk toch altijd door mensen zal moeten gebeuren en waar mensen werken daar worden fouten gemaakt. Zo ontstond er in de Koude Oorlog grote paniek binnen de NSA-gelederen omdat men dacht dat de Russen een nieuwe generatie bommenwerpers hadden ontwikkeld die op water kon landen. Er was namelijk een Sovjet-bommenwerper gesignaleerd die op een meer landde. Alle opwinding bleek voor niets toen iemand bedacht dat het 's winters behoorlijk koud kan zijn in Rusland en dat water dan de neiging heeft om te bevriezen...

Echelon
Het is opmerkelijk dat er begin februari 1998 in de Nederlandse pers met enige ophef melding werd gemaakt van het door de Verenigde Staten afluisteren van het Europese telefoon-, fax- en e-mailverkeer. Het was even groot nieuws, er werd nog een enkel commentaar aan gewijd, maar al snel was de rust weergekeerd. Voor de deskundigen was het echter geenszins opzienbarend; het was allemaal al lang bekend, oud nieuws dus. Al in 1982 had Bamford immers in The Puzzle Palace aangegeven dat de NSA een wereldwijd afluistersysteem gebruikte, dat er gewerkt werd met computers die door herkenning van codewoorden gesprekken selecteerden en dat stemherkenning, hoewel het toen nog in de kinderschoenen stond, een veelgebruikt instrument was. Iedereen kan op zijn vingers natellen dat in de zestien jaar na het verschijnen van Bamfords boek deze zaken zullen zijn geperfectioneerd en dat ze door de komst van het digitale tijdperk gemakkelijk toepasbaar en vooral ook goedkoper zijn geworden. Aanleiding voor alle commotie in de Nederlandse pers was het rapport An Appraisal of Technologies of Political Control dat in opdracht van het Europees Parlement is opgesteld door het Britse onderzoeksbureau Omega. Daarin stond te lezen dat stelselmatig niet alleen het Europese telecommunicatieverkeer, maar al het telefoon-, telex-, e-mail- en faxverkeer ter wereld wordt afgetapt. Bij nadere lezing blijkt dat het rapport slechts verwijst naar een in 1996 verschenen boek van de Nieuw-Zeelandse journalist Nicky Hager. Weer oud nieuws dus, want in zijn boek Secret Power maakte Hager toen al het bestaan van het Echelon-netwerk bekend. Voor het wereldwijde aftappen zijn de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Canada, Australië en Nieuw Zeeland verantwoordelijk. Deze landen sloten direct na de Tweede Wereldoorlog een samenwerkingsverdrag op het gebied van veiligheids- en inlichtingendiensten. De nooit openbaar gemaakte overeenkomst werd in 1948 geformaliseerd en staat bekend als de UKUSA Security Agreement. Het aftappen van nagenoeg alle elektronische communicatie ter wereld gebeurt door een netwerk van satellieten, grondstations en krachtige computers. Het netwerk, met de codenaam Echelon, is op initiatief van de Amerikaanse National Security Agency tot stand gekomen. De NSA is de belangrijkste financier en de beheerder van het systeem. De NSA draagt zorg voor het grootste gedeelte van de onderscheppingsactiviteiten, heeft de bondgenoten voorzien van de modernste software en heeft als enige volledige toegang tot het systeem. De vijf bij het netwerk betrokken diensten zijn: allereerst natuurlijk de National Security Agency in de VS, verder het Government Communications Security Bureau (GCSB) in Nieuw-Zeeland, de Government Communications Headquarters (GCHQ) in Groot-Brittannië, het Communications Security Establishment (CSE) in Canada en het Defence Signals Directorate (DSD) in Australië. Op de Internetpagina van de NSA is de doelstelling van de organisatie openlijk geformuleerd: Inlichtingenwerk geeft ons een voorsprong op onze tegenstanders en concurrenten, de beveiliging van informatiesystemen voorkomt dat anderen een vergelijkbare voorsprong op ons krijgen. De twee zijn samen te vatten in één enkel doel: informatiesuperioriteit voor Amerika en haar bondgenoten! Met het Echelon-netwerk lijkt dit werkelijkheid te zijn geworden. Door het gebruik van de begrippen "tegenstanders" ( adversaries ) en "concurrenten" ( competitors ) wordt duidelijk dat het de NSA niet alleen gaat om militaire informatievoorsprong, maar dat de "informatiesuperioriteit" ook economische zaken betreft.

Nicky Hager interviewde voor zijn boek Secret Power vijftig medewerkers van de Nieuw-Zeelandse inlichtingendienst en dit leidde tot de onthulling van het bestaan van het afluisternetwerk en tot een gedetailleerde beschrijving van het functioneren ervan. Begin 1985 - premier David Lange is net enkele maanden aan de macht - wordt het anti-nucleaire standpunt van Nieuw Zeeland een belangrijk issue. De Labourregering van Lange weigert het Amerikaanse met kernkoppen bewapende oorlogsschip Buchanan toegang tot de Nieuw-Zeelandse wateren. Als vergelding verbreken de Amerikanen de militaire banden met Nieuw-Zeeland, bovendien wordt de informatiestroom naar de Nieuw-Zeelandse inlichtingendiensten stopgezet. In de media klinkt een duidelijk signaal door: de ongehoorzaamheid aan de VS wordt zwaar bestraft. Het publiek weet niet anders dan dat alle inlichtingenbanden tussen Nieuw-Zeeland en de VS geminimaliseerd zijn. Uit het boek van Hager blijkt dat niets minder waar is. De inlichtingenstroom van de Amerika naar Nieuw Zeeland ging onverminderd door. Sterker: Nieuw Zeeland speelde een te belangrijke rol in de UKUSA-alliantie om de contacten te bevriezen en per saldo ging de meeste informatie van Nieuw-Zeeland naar de VS en niet omgekeerd. Opmerkelijk genoeg was zelfs premier Lange niet op de hoogte van hetgeen zich afspeelde, getuige het voorwoord van Secret Power waarin hij schrijft: "Pas toen ik dit boek las, besefte ik dat we deel uitmaken van een internationaal geïntegreerd elektronisch netwerk... [...] Een verbazingwekkend aantal mensen heeft hem dingen verteld die mij, toen ik als premier verantwoordelijk was voor de inlichtingendiensten, nooit zijn verteld."

In tegenstelling tot de meeste elektronische spionagesystemen die in de Koude Oorlog zijn ontworpen, is het Echelon-netwerk niet primair op militaire doelen gericht; ook burgers, politici, vakbonden, Niet Gouvernementele Organisaties en bedrijven waar ook ter wereld worden massaal afgeluisterd en bespioneerd. Het systeem is zo opgezet dat niet enkele specifieke telefoonlijnen of e-mail adressen worden afgetapt, maar zonder enig onderscheid wordt alle elektronische communicatie wordt onderschept, of het nu e-mail, telex, fax of telefoon betreft. Elk UKUSA-land stelt een "woordenboek" samen met sleutelwoorden : namen, plaatsen, data, telefoonnummers, e-mailadressen, etc. De computers van het Echelon-netwerk onderzoeken automatisch en in 'real time' of er woorden uit de "woordenboeken" voorkomen in de miljoenen onderschepte berichten. De gefilterde berichten worden zo nodig vertaald of ontsleuteld en dan pas gepresenteerd aan analisten. Dit alles zonder dat het UKUSA-land dat de berichten oorspronkelijk onderschepte, weet wat er precies naar wie is doorgestuurd. Satellietcommunicatie kon al vrij snel na het lanceren van de eerste civiele communicatiesatellieten worden onderschept en door computersgeanalyseerd. Het bestaan van computers die dataverkeer automatisch op sleutelwoorden kunnen doorzoeken is sinds de jaren zeventig bekend. Het Echelon-systeem is ontworpen om dergelijke computers met elkaar te verbinden en de verschillende stations tot een geïntegreerd geheel te vormen. In het systeem wordt de afgetapte informatie van drie componenten aan elkaar gekoppeld: de satellieten van Intelsat, regionale en spionage-satellieten en continentale communicatiesystemen. De eerste component van het Echelon-netwerk vormen de stations die specifiek zijn gericht op de internationale communicatiesatellieten (Intelsats) die gebruikt worden door de telefoonmaatschappijen van bijna alle landen ter wereld. Een ring van twintig Intelsats is stationair boven de evenaar gepositioneerd en er zijn vijf UKUSA-stations die simultaan al het berichtenverkeer van die satellieten onderscheppen (per Intelsat gaat het om een capaciteit van twaalf- tot negentigduizend telefoongesprekken, e-mails of faxen tegelijkertijd). De tweede component is een netwerk van stations dat gericht is op satellietcommunicatie die niet via de Intelsats plaatsvindt. Het gaat om Russische, Chinese en andere regionale satellieten. Daarnaast zijn Amerikaanse spionagesatellieten met het Echelon-netwerk verbonden. Die zijn speciaal ontworpen voor het onderscheppen van communicatie met een kleine actieradius zoals militaire radio's en walkie-talkies, omdat dat niet mogelijk is met verre grondstations. De derde component is gericht op het aftappen van de binnenlandse en continentale telecommunicatie. Naast satelliet en radio is de andere belangrijke methode om grote hoeveelheden publieke, zakelijke en overheidscommunicatie te verzenden een combinatie van kabels die op de bodem van de oceanen liggen en microgolf- en glasvezelnetwerken die de landen bestrijken. De kabels zijn op de plaats waar ze uit het water komen zeer kwetsbaar voor onderschepping, medewerking van de eigenaar van de kabel maakt het allemaal nog veel gemakkelijker. En anders kunnen deze kabels altijd nog onder water worden afgetapt. In 1971 slaagden de Amerikanen er voor het eerst in om een tap te plaatsen op een Russische kabel die diep onder de wateroppervlakte lag. Daarna werd deze techniek op diverse plaatsen over de hele wereld toegepast. Een tweede rapport dat voor de Europese Unie is gemaakt over het onderwerp, Development of Surveillance Technology and Risk of Abuse of Economic Information , zegt hierover: USS Parche (duikboot die de afluisterapparatuur aanbrengt, JJ) continues in operation to the present day, but the precise targets of its missions remain unknown. The Clinton administration evidently places high value on its achievements, Every year from 1994 to 1997, the submarine crew has been highly commended. Likely targets may include the Middle East, Mediterranean, eastern Asia, and South America. The United States is the only naval power known to have deployed deep-sea technology for this purpose. Ook het microgolfnetwerk zelf is relatief makkelijk af te tappen. Een dergelijk netwerk bestaat uit microgolfverbindingen die tussen verschillende punten (in Nederland de PTT-torens) in rechte lijnen door het land worden gezonden. Per microgolfverbinding kunnen vele gesprekken worden afgewikkeld. Al wat er nodig is om op grote schaal binnenlandse communicatie af te luisteren is een hoog gebouw dat in de route van het microgolfnetwerk ligt. Ook kunnen deze netwerken per satelliet worden afgeluisterd.

Door het gebruik van de "woordenboeken" en door de informatie afkomstig van de telefoon- en spionage satellieten te combineren met die van continentale communicatiesystemen beschikt de NSA met het Echelon-netwerk over een onvoorstelbaar krachtige machine. Het probleem is om uit de enorme brij gegevens die de machine aftapt uiteindelijk zinvolle rapporten te destilleren, maar ook wat dit betreft moet de computerkracht niet worden onderschat. Het ligt voor de hand dat berichten kunnen worden geselecteerd op hoe vaak een woord of woordcombinatie voorkomt, en dat er een analyse in tijd kan worden uitgevoerd door te bepalen hoe vaak iemand naar een bepaald nummer heeft gebeld. Maar ook veel ingewikkelder technieken zijn in gebruik om uit de enorme hoeveelheid afgetapte informatie de relevante berichten te filteren. Bijvoorbeeld neurale netwerken, computersystemen die na een korte training zelfstandig kunnen 'leren' en zo in staat zijn om steeds gerichter en efficiënter berichten te selecteren of er bepaalde verbanden uit te extraheren. Daarnaast zijn er ook hogere trappen in het systeem. Als bijvoorbeeld alle gesprekken van de Europese delegatie bij de GATT-onderhandelingen worden afgeluisterd, dan gaat dat niet allemaal onderin de zeef in, dergelijke berichten worden sneller dan andere door een analist beluisterd. Diegenen die zich nog steeds afvragen of er ook Nederlandse gesprekken en berichten worden afgetapt doen er goed aan een kijkje te nemen op de website van de Britse partner in het Echelon-netwerk. Daar blijkt dat de GCHQ, die veel van de geselecteerde afgetapte informatie analyseert, diverse vacatures heeft voor linguïsten. Niet alleen voor specialisten in wellicht voor de hand liggende talen zoals Arabisch, Iraans, Turks, Urdu, Japans, Koreaans, Chinees en Russisch, maar ook Frans, Duits, Italiaans, Spaans, Portugees en ... Nederlands.

De koekjes van de priester en de levensechte fictie
Een treffende illustratie van waar het automatisch filteren van berichten door "domme" computers toe kan leiden is het volgende verhaal. Weliswaar heeft het inmiddels zozeer de status gekregen van een urban legend dat niet te controleren valt of het voorval werkelijk heeft plaatsgevonden, maar dat maakt het niet minder veelzeggend. Een Amerikaanse priester stuurt zijn zus een e-mail waarin hij vertelt dat enkele tieners koekjes voor hem hebben gebakken. Om zijn zus te imponeren met zijn technologische toverkunsten leent hij de nieuwe digitale camera van de kerk en maakt een foto van de koekjes, die hij meestuurt met het e-mail bericht. Tot zover niets aan de hand, zou men denken. Maar nee, een klein foutje kan grote gevolgen hebben, zo blijkt. In de zin teenagers baked brownies mist de priester de letter "b" van baked en typt per ongeluk de naastgelegen letter "n". De e-mail van de priester wordt geselecteerd door een computer van een inlichtingendienst die het internet afspeurt naar kinderporno omdat de woorden naked en teenagers naast elkaar staan. Bovendien blijkt er een foto met het bericht te zijn meegestuurd en hierdoor krijgt het de top-prioriteit voor onmiddellijke analyse. Tot overmaat van ramp blijkt er met de digitale foto iets mis te zijn gegaan zodat de file niet kan worden geopend. Via de provider wordt de identiteit van de onfortuinlijke priester achterhaald en er wordt onderzoek gedaan naar de kerk in kwestie. Als blijkt dat de plaatselijke padvinders, brownies genaamd, er hun bijeenkomsten hebben dan is er nog maar één conclusie mogelijk: de priester heeft foto's van naakte padvinders verstuurd en moet onmiddellijk worden gearresteerd....

Een andere arrestatie vormde voor Dan Brown de aanleiding voor het schrijven van een thriller over de NSA. Op de school waar Brown als docent Engels werkzaam was, arresteerde de FBI enkele jaren geleden met veel machtsvertoon een van zijn leerlingen. Hij zou een bedreiging voor de nationale veiligheid zijn. De aanleiding bleek te zijn dat de jongen in een e-mail aan een vriend geschreven had hoezeer hij president Clinton haatte en dat hij vond dat Clinton vermoord zou moeten worden. De vraag hoe de geheime dienst de inhoud van privé e-mail kende, fascineerde Brown mateloos en hij besloot er een onderzoek naar te doen. Hij besloot met het materiaal van zijn bevindingen een roman te schrijven en zo vormde die arrestatie de directe aanleiding tot het schrijven van de techno-thriller Digital Fortress . De gewezen leraar Engels exploreert de dunne lijn tussen het beschermen en het controleren van Amerikaanse burgers door de National Security Agency. Deskundigen zijn het erover eens dat Brown een uitermate realistisch beeld schetst van de inlichtingendienst en dat het plot niet eens zo onwaarschijnlijk is als velen zullen denken. In het verhaal speelt de geheime supercomputer TRANSLTR van de NSA een centrale rol. De machine, bedoeld om e-mail van terroristen te onderscheppen en te decoderen, doet dit ook met de elektronische post van gewone burgers. Een voormalige programmeur van de NSA weet de supercomputer te verlammen door middel van Digital Fortress , een niet te kraken code. Hij eist dat de NSA publiekelijk het bestaan van TRANSLTR toegeeft, anders zal hij de code verkopen aan de hoogste bieder. Het is opmerkelijk dat Dan Brown, net als Nicky Hager, contact heeft weten te leggen met medewerkers van de inlichtingendienst die bereid waren te praten. Hieruit blijkt dat zelfs zij twijfels hebben over de mate van geheimhouding en het gebrek aan democratische controle op het doen en laten van hun werkgever. I am a mathematician, not a politician. The NSA's technologies and practices are necessary, believe me, but their level of secrecy is dangerous. It breeds distrust , motiveert een NSA-cryptograaf zijn besluit om mee te werken. De geheime supercomputer TRANSLTR uit het boek is ontworpen om met public key encryption versleutelde e-mail te decoderen. Criminelen, actievoerders en allen die verder op hun privacy gesteld zijn, verkeren in de veronderstelling dat de elektronische post niet door onbevoegden te lezen is, bijvoorbeeld door het gebruik van het programma PGP (Pretty Good Privacy). Voor de vorm maakt de NSA bij herhaling bezwaar tegen verspreiding van software voor public key encryption , maar deze vorm van versleuteling is geen belemmering, want door middel van vele duizenden parallel geschakelde processors kunnen alle mogelijke combinaties net zo lang getest worden totdat er woorden te herkennen zijn. De truc van de onbreekbare code in de techno-thriller Digital Fortress is dat de originele boodschap voor versleuteling zodanig door elkaar wordt gehusseld dat er geen woorden meer te herkennen zijn en dat hij circulair is, zodat er geen begin of eind aan te ontdekken valt. Zoals gezegd geeft Dan Brown veel uitermate realistische informatie over de NSA in zijn boek, maar het belangrijkste element voor zijn verhaal, de onbreekbare code, is fictief, want onbreekbare codes bestaan nu eenmaal niet. Theoretisch althans, want praktisch gezien zijn er codes denkbaar waarvan het kraken met alle computers ter wereld meer tijd zal kosten dan de levensduur van de zon.

De Artificiële-intelligentiedeskundige versus de ex-hacker.
Bij het analyseren van een enorme hoeveelheid gegevens is de grote moeilijkheid de naalden in de spreekwoordelijke hooiberg te vinden. In het geval van het Echelon-netwerk gaat het in hoofdlijn om twee zaken: geschreven en gesproken woord. Voor het eerste, de e-mail-, fax- en telexberichten, is een grove analyse relatief eenvoudig. Voor het analyseren van telefoongesprekken is veel meer computerkracht vereist. Sinds 1995 wordt er in ieder geval gebruik gemaakt van stemherkenningssoftware. Deze maakt een voiceprint en vergelijkt deze met bekende stemmen. Verder zijn er allerlei vermoedens dat er gebruik wordt gemaakt van software die gesproken woorden kan herkennen. In het tweede rapport voor de Europese Unie wordt deze theorie verworpen: This study has found no evidence that voice keyword recognition systems are currently operationally deployed, nor that they are yet sufficiently accurate to be worth using for intelligence purposes.

Frank van Harmelen , docent kunstmatige intelligentie aan de VU: "De manier om uit zo'n hoeveelheid gegevens relevante informatie te filteren valt grofweg in twee hoofdgroepen uiteen: statistische en symbolische methoden. In het eerste geval doet men een statistische analyse op frequenties van allerlei steekwoorden, en gebruikt die als maat voor hoe waarschijnlijk het is dat een gesprek of bericht over een bepaald onderwerp gaat. Kernidee is dat de regelmaat waarmee woorden voorkomen een goede indicatie geeft van waar een boodschap over gaat. De machine heeft verder geen idee over de betekenis van die woorden. Dit is de belangrijkste techniek waar ook de huidige Internet zoek-engines op steunen. Daaraan merk je al wel hoe moeilijk het is om false-positives te vermijden." Zoals bij doping- en zwangerschapstests gebruikt men ook hier de termen false-positive en false-negative om aan te geven hoeveel de computer teveel ziet, respectievelijk mist. Om de hoeveelheid false-positives zo klein mogelijk te houden, wordt gebruik gemaakt van symbolische methoden. Die zijn bij uitstek geschikt om van meerduidige begrippen alleen die met de gewenste betekenis te selecteren. Gaat "bank" over financiën of over rivieren? Gaat 'snow' over skiën of over cocaïne? Gaat "tank" over een militair vehikel of over een reservoir voor vloeistoffen? Van Harmelen: "Symbolische methoden rusten een computer uit met allerlei kennis over taal, de wereld, en hoe taal over de wereld spreekt, en proberen op grond van die kennis te achterhalen waar boodschappen over gaan. Een woord als "bank" activeert twee mogelijke semantische kontexten, waarvan er één ondersteund wordt door andere woorden in de boodschap, en de andere niet. Idealiter kunnen deze technieken ook onduidelijkheden in taal herkennen en oplossen op grond van hun kennis over de wereld. Bijvoorbeeld in de zin "A betaalde aan B de drugs met zijn contanten" is het grammaticaal onduidelijk wiens kontanten dat zijn; "wij" weten dat A natuurlijk niet aan B betaalt met B's eigen kontanten. Door een programma uit te rusten met kennis over wat betalen is, en hoe dat werkt, kan een programma ook zulke zinnen "begrijpen". Omdat ieder begrip van de inhoud bij statistische methoden ontbreekt, is de grote moeilijkheid om niet teveel false-positives te krijgen, waarbij ook geldt dat als je hard gaat snijden in de false-positives , dat je ook false-negatives produceert. Het probleem van symbolische methoden is dat ze te arbeidsintensief zijn om een voldoende grote kennisbank te maken die het algemeen data-verkeer over willekeurige onderwerpen in diverse talen kan analyseren." Al met al is Frank van Harmelen behoorlijk sceptisch over het Big Brother-gehalte van het Echelon-netwerk, samenvattend zegt hij: "Gegeven de huidige stand van zaken in de relevante technieken is het op massale schaal filteren van telefoonverkeer op gevoelige gesprekken eenvoudigweg niet haalbaar, niet alleen vanwege een gebrek aan botte rekenkracht, maar ook vanwege de ontoereikende precisie van de huidige technieken. Het probleem van beide methoden is dat ze te veel rekenkracht vergen."

Wanneer Rop Gonggrijp, medeoprichter van zowel het hackersblad Hacktic als van de eerste Internetprovider in Nederland XS4all, met deze uitspraken wordt geconfronteerd, benadrukt hij dat in dit geval de wet van de grote getallen geldt en dat het vooral zinvol is te proberen je in te leven in zo'n organisatie als de NSA. Gonggrijp: "Het maakt niet uit of die machine maar half efficiënt is en vijftig procent mist, of juist vijftig procent te veel oplevert. Een AI-deskundige zal dan inderdaad zeggen dat het dus een onbruikbare machine is; hij denkt in termen van fabrieken en industriële toepassingen. Hij zal zeggen: "Nou dat kan ik dus niet gebruiken om te herkennen waar die ene pallet staat, want als dat ding twee van de drie pallets uit z'n handen laat flikkeren, ja dan heb ik daar niks aan." Je moet het zo zien: als je tienduizenden mensen of meer hebt zitten om te luisteren naar gesprekken, om berichten te lezen, dan gaan hele grote investeringen lonen. Als het resultaat daarvan is dat de stroom informatie wordt gehalveerd, dan kan dezelfde hoeveelheid mensen een tweemaal zo grote hoeveelheid intelligence beoordelen. Dat is de wet van de grote getallen, je weet niet zeker of je alle relevante informatie eruit vist, maar dat hoeft ook niet. Het beluisteren van alles is sowieso zinloos dus het gaat je gewoon om een economisch optimum. Wij gaan er van uit dat een dienst alles wil beluisteren en dat een dienst er vooral op uit is om maar niet dat kleine detail te missen, op die schaal is dat al helemaal niet meer belangrijk. Op die schaal gaat het gewoon om een economisch optimum, waarbij je "economisch" moet zien als: er gaan toch wel miljarden het defensiebudget in en met dat bedrag moet zo hoog mogelijk gescoord worden en als je goed scoort, krijg je meer budget. Dus je hoeft er niet alles uit te halen als je maar het maximum eruit haalt voor de erin gestoken moeite. Je moet niet denken: 'ja maar, dan weet je dus nooit of je iets mist.' Nee, dat weten ze ook niet, maar ze weten wel dat ze voor die dollars nooit meer zouden kunnen krijgen uit die stroom gegevens die langshobbelt." Het grote verschil tussen Van Harmelen en Gonggrijp is dat de AI-deskundige denkt in termen van nauwkeurigheid en trefzekerheid, terwijl de ex-hacker veel meer een economische invalshoek heeft. Gonggrijp: "Hun enige alternatief is óf het niet doen óf het allemaal door mensen laten doen. Dat laatste kan niet, niet doen is ook geen optie. Als je je inleeft in hun positie, dan zeg je gewoon tegen je regering: 'Sorry, maar het is nou eenmaal spuugduur. Maar er is geen alternatief, want dan zouden de VS hun leidende positie verliezen.' Die machine levert natuurlijk ook wat op; de Amerikaanse defensie-industrie is niet voor niets oppermachtig. Je bouwt niet overal ter wereld miljarden kostende installaties voor nop. Het is gewoon een te dure propagandastunt. Je zet niet honderdduizend mensen in een of ander groot gebouw aan het werk voor een propagandastunt om de wereld te laten denken dat je alles ziet."

Volgens Gonggrijp is er geen enkele organisatie die met de NSA kan concurreren. De afluistermachine is niet meer te verslaan, er is niets of niemand die tegenstand kan bieden. Misschien slechts dan als zich een historisch momentu, zou voordoen dat te vergelijken is met het einde van de Vietnam-oorlog, wanneer de publieke opinie (wereldwijd, maar vooral in Amerika) het optreden of zelfs het bestaan van de Amerikaanse inlichtingendiensten scherp zou afkeuren. De NSA is er, als ieder ander groot bureaucratisch apparaat, vooral op gericht zichzelf in leven te houden, zichzelf werk te verschaffen. En er is steeds meer te doen, steeds meer af te luisteren! Zolang de computersnelheid en geheugencapaciteit nog exponentieel blijven groeien, zal het voor de NSA mogelijk zijn de machine te perfectioneren en zal bijvoorbeeld software voor stem- en gezichtsherkenning steeds succesvoller geïntegreerd worden. Maar zoals bij alle innovatieprocessen zal er uiteindelijk een punt optreden waarna een kleine verbetering onevenredig veel energie kost. Kostte het bijvoorbeeld aanvankelijk x eenheden inspanning om de machine vijftig procent efficiënter te maken, na verloop van tijd kost het honderd keer zoveel voor een verbetering van maar enkele procenten. Hierdoor is te verwachten dat het bedrijfsmotto van de NSA om vijf jaar voor te lopen op de the state of the art steeds meer zal gaan kosten, totdat het niet langer haalbaar blijkt, waarna de voorsprong steeds minder groot wordt. Voor de optimisten: omgekeerd geldt ook dat alle techniek die de NSA nu al bezit over enkele jaren voor iedereen beschikbaar zal zijn, en waarschijnlijk voor minder geld dan de NSA ervoor heeft betaald.

Tegenwoordig worden mensen, goederen en vooral ook informatie sneller en vaker dan ooit verplaatst. Bedrijven en werknemers zijn steeds minder geografisch gebonden en centraal geleide instituties en bedrijven lijken te verdwijnen, of verliezen in ieder geval macht en invloed. Zo gezien is de NSA ­ immers bij uitstek een centraal geleid instituut ­ een fossiel uit de Koude Oorlog, een anachronisme, een kunstmatig in leven gehouden patiënt. Daarbij komt dat - juist doordat bedrijven steeds grensoverschrijdender opereren - de taak van de NSA, het beschermen van de Amerikaanse belangen, steeds moeilijker te definiëren is. Wél zijn er aanwijzingen dat waar de prioriteit eerst lag bij de militaire en strategische belangen, het Amerikaanse belang na de val van de muur vooral economisch van aard lijkt te zijn. In de Groene Amsterdammer van 18 februari 1998 staat bijvoorbeeld een opsomming van een aantal gevallen waaruit de economische belangstelling van de NSA blijkt. Tijdens de GATT-onderhandelingen in 1993 werd in opdracht van president Clinton alle communicatie van de delegaties van de handelspartners afgeluisterd. Een tweede geval betrof in799joomlaé Ignacio Lopez, één van de managers van General Motors (GM). Hij stapte in datzelfde jaar over naar het Duitse Volkswagen en werd vrijwel onmiddellijk van bedrijfsspionage beschuldigd. Het was onduidelijk hoe GM zo snel kon weten dat Lopez geheimen had verklapt, later bleek dat de NSA videoconferenties van de raad van bestuur van Volkswagen had afgetapt en de beelden aan GM had geleverd. Twee andere voorbeelden betreffen miljarden-contracten die de Fransen misliepen doordat de Amerikaanse bedrijven Boeing en McDonnell Douglas op onverklaarbare wijze net iets meer smeergeld aan de Saoedie-Arabiërs betaalden voor een wapenorder en doordat het Amerikaanse bedrijf Raytheon op alle terreinen meer aan de Braziliaanse verlangens tegemoet wist te komen voor een order om radarinstallaties te bouwen dan de Franse concurrenten. Het laatste voorbeeld: in 1995 zijn tijdens de onderhandelingen over de quotering van de Japanse auto-export naar de VS alle gesprekken van de Japanse delegatie met hun meerderen afgeluisterd, waardoor de Amerikaanse onderhandelaar een gunstig resultaat wist te behalen. In feite is er in al deze gevallen sprake van oneigenlijke concurrentie: niet door de prijs of de kwaliteit van de diensten of producten, maar door de informatie van de NSA worden allerlei opdrachten en contracten verkregen. Toch denkt Gonggrijp dat Amerika zich op den duur uit de markt zal prijzen: "Als je landen ziet als fabrieken die een product leveren, dan maakt Amerika een te duur product omdat de kosten voor de NSA in het product verdisconteerd worden." De macht van een organisatie met tegen de honderdduizend werknemers en een geschat budget van minstens twaalf miljard dollar per jaar moet natuurlijk niet onderschat worden, het gaat om een economische factor van betekenis. De vraag "Wie verdient er aan?" is dan ook bijzonder relevant. De grootste geldstromen gaan naar de computerindustrie en het militair-industrieel complex. En dat geld moet wel blijven stromen, dus de top van de NSA moet wel redelijk blijven. Een dictator als directeur van de NSA zal volgens Gonggrijp om economische redenen teruggefloten worden of er eenvoudigweg niet komen. Ten koste van alles moet voorkomen worden dat de publieke opinie zich tegen de NSA keert. Praktijken waardoor Orwelliaanse toestanden werkelijkheid worden, zijn technisch allang mogelijk, maar zullen om die reden slechts onmerkbaar geëffectueerd worden. Ook bij het operationeel maken van NSA-informatie bestaat het gevaar dat de publieke opinie zich tegen de organisatie keert.

Sabotage en gecontroleerd actievoeren
Nu er het een en ander bekend is over het functioneren van het Echelon-netwerk, ligt het voor de hand dat sommigen zullen proberen het systeem te overbelasten door ervoor te zorgen dat ieder telefoongesprek, iedere fax en iedere e-mail woorden bevat waardoor het systeem geactiveerd wordt. Maar deze strategie zal het systeem vermoedelijk niet verlammen. Gonggrijp: "Ten tijde van Hacktic sloten we internationale telefoongesprekken en e-mails voor de gein altijd af met bomb, Libia, White House, Khadaffy, assasinate . Maar hierdoor slaat de boel natuurlijk heus niet op tilt. Nee, er zitten dan te veel trefwoorden in of ze zitten in je signature. Zo'n ding kan natuurlijk prima zien waar je signature begint, dus dan zegt hij: 'O, dat is zo'n gek met dingen in de signature. O, dit is zo iemand die weet dat de NSA bestaat en die daarmee aan het klooien is'. Je geeft daarmee alleen maar meer informatie over jezelf en dat vormt dan een beeld van jou. Het is natuurlijk grappig om te doen maar het houdt die machine niet tegen." Een andere strategie voor lieden die de geheimzinnigheid van en het gebrek aan democratische controle op de NSA aan de kaak willen stellen, is te proberen door middel van desinformatie de organisatie te dwingen zichzelf en haar praktijken bloot te geven. Verschillende mensen in verschillende landen zouden dan moeten doen alsof er iets gaat plaatsvinden waar de NSA wel op moet reageren. Het zou dan duidelijk moeten worden op welke (illegale) manier de informatie precies verkregen is. Vermoedelijk is ook een dergelijke poging tot het verkrijgen van openbaarheid tot mislukken gedoemd, want het is tegenwoordig vrijwel onmogelijk om verschillende mensen op grote afstand van elkaar te mobiliseren zonder gebruik te maken van elektronische communicatiemiddelen. Daarbij komt dat de NSA er alles aan gelegen zal zijn om hun werkwijze geheim te houden. Niet voor niets staat de organisatie bekend als "No Such Agency", omdat vrijwel niemand van het bestaan op de hoogte is. De gangbare grap van FBI- en CIA-functionarissen die klagen over de enorme geslotenheid van de NSA, is dat de afkorting staat voor "Never Say Anything". De NSA is helemaal niet geïnteresseerd in individuen of organisaties, maar in de grote verbanden en ze publiceert rapporten over die grote verbanden waar helemaal niet meer uit af te leiden is waar die informatie vandaan komt. Gonggrijp: "Denk aan het verhaal over de Tweede Wereldoorlog. De reden dat de Duitsers de zeeoorlog verloren hebben, is dat Enigma, de supergeheime codeermachine van de Duitsers, werd gekraakt door de Engelse inlichtingendienst. De grote vlootbewegingen werden meebekeken in Londen. De Engelsen hebben het ervoor over gehad om Coventry te laten bombarderen omdat ze dat strategische voordeel niet op wilden geven. Ze hebben die stad dus niet verdedigd om maar niet te laten blijken dat ze met de Duitse admiraals mee konden lezen. Churchill heeft dat in zijn memoires beschreven als de moeilijkste beslissing uit de oorlog: weten dat er een stad plat gebombardeerd wordt en er niets aan doen."

Door het bekend worden van het bestaan van het Echelon-netwerk wordt er voor actievoerders een plafond opgeworpen. Bepaalde acties zullen getolereerd worden omdat ze als onschadelijk gezien worden en bovendien alleen maar informatie geven over de actievoerders en over ontwikkelingen binnen de actiewereld. Als schadelijk ervaren plannen zullen in de kiem gesmoord worden. Actievoerders die op de hoogte zijn van het bestaan en het functioneren van de afluisterpraktijken van de NSA, zullen zich veel moeite moeten getroosten om acties voor te bereiden zonder gebruik te maken van elektronische communicatiemiddelen. Maar dan nog: er is tegenwoordig geen ontkomen meer aan een elektronisch spoor na te laten en wie garandeert dat de NSA daar geen toegang tot heeft? Afwijkingen in het normale patroon van geldopnames, boodschappen, ziekenhuisbezoek etc. kunnen al een aanwijzing zijn.....

Besluit
Al met al is hier een weinig geruststellend verhaal verteld. Het is weliswaar (nog) niet zo dat er telkens als we de telefoon oppakken, iemand meeluistert of dat al onze e-mail door derden gelezen wordt, maar het kan wel. De vraag naar de grens tussen realistische bezorgdheid en achtervolgingswaanzin is nog steeds erg moeilijk te beantwoorden. Niet voor niets hebben veel hackers en techneuten een paranoïde trekje, hoewel paranoïde? Zij zijn bij uitstek degenen die beseffen dat vrijwel alles kan en dat er vrijwel niets tegen te doen is. Helaas een niet erg bemoedigend inzicht. Het enige dat rest is: op onze woorden passen...

De cliché-opmerking van voorstanders van verregaande bevoegdheden voor inlichtingendiensten om te snuffelen in de privélevens van individuen, is dat alleen degenen die iets te verbergen hebben er iets tegen zullen hebben. Maar zo simpel is het niet; het is en blijft een inbreuk op de privacy. Bovendien is er, zoals uit de voorbeelden blijkt, sprake van concurrentievervalsing. Daarbij komt dat inlichtingendiensten zich vaak onttrekken aan democratische controle op hun doen en laten. Quis custodiet ipsos custodes? , de vraag die de Romeinse satiredichter Juvenalis tweeduizend jaar geleden stelde, is nog altijd actueel. We moeten ons altijd blijven afvragen wie de bewakers zelf bewaakt.

Mobiele telefoons

In De Muren Hebben Oren van 1994 was er minder dan één bladzijde gewijd aan het toen nog splinternieuwe digitale GSM-netwerk. Het oudere analoge autotelefoonnet ATF3 was nog dominant en toen we het schreven hadden we zelf nog maar een enkele keer zo'n hypermoderne GSM-telefoon mogen vasthouden. Terwijl wij dit schrijven in 1999 is GSM bijna het enige mobiele netwerk. Het woord autotelefoon is vervangen door mobiele telefoon omdat iedereen zo'n ding nu in de broekzak in plaats van op het dashboard heeft.

Het ontstaan
De analoge mobiele netwerken werden gebouwd in een tijd dat de behoefte aan mobiele telefoons veel lager lag dan nu het geval is. Door de komst van krachtigere kleine processoren werd het mogelijk om in eenzelfde frequentiegebied meer telefoons te bedienen en ook het stroomverbruik van de telefoons (en dus de grootte en het gewicht) kon worden teruggedrongen. Er ontstond een pan-Europese lappendeken van niet-compatibele analoge netten waardoor men behoefte kreeg aan een standaard voor netwerken en telefoons zodat de steeds mobielere abonnee ook in andere netwerken dan zijn thuisnetwerk kon bellen. Een nieuw netwerk moest ook minder gemakkelijk afluisterbaar zijn voor amateurs met een scanner, en het moest minder eenvoudig zijn om op kosten van een ander te bellen. De Conference of European Posts and Telegraphs (CEPT) vormde in 1982 de studiegroep Groupe Speciale Mobile om een nieuw pan-Europees systeem te ontwikkelen. In 1989 werd de verantwoordelijkheid voor GSM, dat inmiddels stond voor Global System Mobile overgedragen aan de European Telecommunication Standards Institute (ETSI) en in 1990 werden de GSM specificaties gepubliceerd. In 1991 werd het eerste netwerk operationeel, en in 1993 waren er 36 netwerken in 22 landen. Hoewel GSM in Europa is ontwikkeld en tot standaard is geworden, is het over de gehele wereld in gebruik. Naast de originele GSM-900 netwerken zijn er ook de DCS-1800 en PCS-1900 netwerken die de 1800 en 1900 MHz frequentieband benutten, maar verder dezelfde techniek gebruiken.

De GSM-telefoon
Een GSM-toestel is een universeel apparaat, dat in principe volledig onafhankelijk is van het abonnement waarmee wordt gebeld en zelfs van de gekozen mobiele aanbieder. Wel moet een toestel geschikt zijn voor de frequentieband waarop ook de gekozen aanbieder zijn diensten aanbiedt. In Nederland bieden KPN en Libertel hun diensten aan op GSM-900 (rond de 900 MHz), Telfort, Dutchtone en Ben zijn de aanbieders op de 1800 MHz. De meeste nieuwere telefoons zijn in staat om zowel op de 900 als op de 1800 MHz te functioneren. Deze telefoons worden dual-banders genoemd. In de Verenigde Staten waren de 900 MHz- en de 1800 MHz banden al bezet door bestaande mobiele telefoonnetwerken en bestaat een GSM-1900 netwerk. Er zijn op het moment dat wij dit schrijven wel dual-banders voor 900-1900 MHz, maar nog geen triple-band telefoons voor 900, 1800 en 1900.

Het netwerk
Het netwerk waar de telefoon gebruik van maakt bestaat uit vaste basisstations die middels een netwerk centraal bestuurd worden. Een basisstation bedient meestal een klein gebied, tot maximaal tien 10 kilometer bij de zeer herkenbare antennemasten vandaan. Zo'n gebiedje wordt in mobiel-communicatiejargon een cel genoemd. Als een telefoon eenmaal op het netwerk is ingeboekt blijft de telefoon zich op regelmatige basis (ongeveer één keer per kwartier) melden om aan te geven dat hij nog leeft. Ook als de gebruiker zich verplaatst wordt er gecommuniceerd om een nieuw basisstation uit te zoeken dat de beste ontvangst oplevert. Om meerdere gesprekken te kunnen afhandelen maakt een basisstation gebruik van meerdere frequenties (tot maximaal 15). Om te voorkomen dat de zenders elkaar storen, kunnen de naastgelegen cellen niet dezelfde kanalen gebruiken. De frequenties worden volgens een honingraatstructuur verdeeld zodat met een minimum aantal frequenties zo veel mogelijk telefoons worden bediend. Meestal is een basisstation door het gebruik van meerdere richtingsgevoelige antennes in staat om vast te stellen uit welke richting een signaal ongeveer komt. In tegenstelling tot analoge mobiele netwerken kunnen in GSM-netwerken meerdere gesprekken op hetzelfde kanaal plaatsvinden. De digitale spraak wordt over kleine pakjes verdeeld, en maximaal acht telefoons versturen op één kanaal hun gegevens, keurig om de beurt. Dit proces wordt ook wel "time-domain multiplex" genoemd. Omdat de afstanden tussen het basisstation en elk van deze telefoons verschillen kunnen er problemen optreden. De pakjes reizen met de snelheid van het licht, en als een telefoon verder weg is kan het zijn dat het pakje van die telefoon een pakje van een dichterbij gelegen telefoon gedeeltelijk overlapt. Om dit te voorkomen wordt met enige regelmaat de afstand tussen de telefoon en het basisstation gemeten. De telefoons die dichterbij zijn wachten dan iets langer met het sturen van hun pakje zodat alles zonder overlappingen bij het basisstation aankomt. Deze afstandsmeting levert een getal op dat we "timing-advance" noemen. Op telefoons waarbij de zogenaamde monitor-mode is aangezet kun je dit getal aflezen. Het geeft de afstand tot het huidige basisstation weer in stappen van 200 meter. De cellen in het GSM-netwerk staan met elkaar in verbinding. Het netwerk kan besluiten om een gesprek door een ander basisstation te laten overnemen. Dit gebeurt vooral als een telefoon zich verplaatst, maar kan bijvoorbeeld ook gebeuren als een basisstation niet genoeg capaciteit meer heeft en een aantal telefoons ook prima met naastgelegen basisstations kan communiceren. Het netwerk heeft op grond van het bovenstaande al een aantal gegevens om te beslissen of een overplaatsing naar een ander basisstation, een zogenaamde hand-off, noodzakelijk is. Het net weet immers de ruwe richting vanuit het basisstation waar een telefoon is en de afstand tussen basisstation en telefoon. Om het net te helpen om elke telefoon vanuit de optimale cel te bedienen helpt elke GSM telefoon een handje mee. De telefoon meet namelijk gedurende het gesprek continu ook de signaalsterkte van de zender van de naburige basisstations en geeft de gemeten waardes van de zes hardste signalen door aan het huidige basisstation. Op basis van deze gegevens kan het net gemakkelijk zien welk basisstation het beste geschikt is om welke telefoons af te handelen.

Plaatsbepaling
Een GSM-netwerk heeft in het normale bedrijf dus al een zeer redelijk idee waar elke telefoon zich bevindt. Het weet immers het basisstation waarop de telefoon is ingelogd, en het weet de iming-advance en dus de afstand tussen telefoon en basisstation. Door de telefoon achtereenvolgens naar verschillende stations over te boeken weet men de afstand tot meerdere cellen en kan met een driehoekspeiling worden vastgesteld waar precies een telefoon zich bevindt. We moeten er helaas van uitgaan dat de netwerkbeheerders met geringe inspanning van elke telefoon die ingeschakeld is met een nauwkeurigheid van ongeveer honderd meter kunnen vaststellen waar die zich bevindt. In ieder geval worden de (iets grovere) gegevens betreffende basisstation, richting en afstand door het netwerk geautomatiseerd opgeslagen en door de providers langdurig bewaard.

SIM
Om te kunnen bellen is een SIM-kaart vereist. Zonder SIM-kaart kan een GSM-toestel alleen naar het alarmnummer 112 bellen. De SIM-kaart is een chipcard die door de verstrekker van een abonnement (of van prepaid-kaarten) wordt uitgegeven. Op de SIM-kaart staat een getal dat IMSI heet. IMSI staat voor International Mobile Subscriber Identity . Dit getal is voor elke SIM-kaart uniek. De eerste drie cijfers van de IMSI geven aan uit welk land de kaart komt, de volgende twee cijfers geven aan om welke provider het gaat en de overige cijfers zijn uniek voor deze abonnee. Het telefoonnummer waarop de abonnee bereikbaar is, is in een database bij de GSM-provider gekoppeld aan de IMSI. De SIM's van elk GSM netwerk passen in principe in elke GSM-telefoon. Hier is echter een uitzondering op: als de SIM-lock faciliteit in een telefoon is aangezet accepteert de telefoon alleen de SIM's van één bepaalde service-provider. Om klanten binnen te kunnen halen gaan sommige providers er namelijk toe over om telefoons zonder abonnement beneden de marktprijs te verkopen. Om te voorkomen dat de klant dit toestel gebruikt om er bij een andere provider een goedkoop abonnement op af te sluiten, of prepaid kaarten van een andere provider koopt, gebruikt een aantal providers in sommige types toestellen die ze leveren de zogenaamde SIM-lock faciliteit. Een telefoon waarvan de SIM-lock blokkering is aangezet is alleen te gebruiken in combinatie met SIM-kaarten van de provider die de faciliteit heeft aangezet. In Nederland zijn providers na enig aandringen van de OPTA ( Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit ) verplicht om deze faciliteit tegen een geringe vergoeding uit te zetten. Voor de meeste telefoons zijn er ook trucjes om de SIM-lock uit te zetten, zonder contact op te hoeven nemen met de provider. Naast abonnementen verkopen veel GSM-providers ook zogenaamde prepaid SIM-kaarten. Aan deze kaarten is een telefoonnummer verbonden en er wordt door de provider een beltegoed bijgehouden. Als dit tegoed verbruikt is kan er niet meer worden gebeld, en als het tegoed een aantal maanden op nul staat of als de kaart een langere tijd niet gebruikt wordt, kan er ook niet meer naar het bijbehorende nummer worden gebeld. Prepaid kaarten kunnen meestal niet in het buitenland gebruikt worden, en soms zijn andere diensten (zoals het versturen van SMS-berichten) niet mogelijk.

IMEI
Naast het nummer van de abonnee (de IMSI), wordt bij communicatie met het basisstation ook een ander getal door de telefoon meegegeven. Dit getal, IMEI of International Mobile Equipment Identifier , is het unieke elektronische serienummer van de telefoon waarmee het gesprek wordt gemaakt. Van elk gesprek dat gemaakt wordt op een GSM-netwerk is dus behalve de identiteit van de abonnee (of in geval van prepaid kaarten in ieder geval het telefoonnummer) ook het unieke serienummer van de telefoon bekend. De IMEI bestaat altijd uit vijftien cijfers. De eerste zes cijfers zijn het type-goedkeuringsnummer, en geeft dus het soort telefoon aan. De volgende twee cijfers geven aan in welke fabriek de telefoon gemaakt is en de cijfers daarna zijn het serienummer van die specifieke telefoon. Wie een GSM telefoon heeft en zijn IMEI wil zien kan op het toetsenbord van de telefoon *#06# intypen. De IMEI verschijnt dan op het scherm. De getoonde IMEI verandert niet als er een nieuwe SIM-kaart in de telefoon gestoken wordt. Alle IMEI's van toestellen die zich op het netwerk aanmelden worden opgezocht in de EIR ( Equipment Identity Register ). Dit register houdt drie lijsten bij: een "white list", met alle toegelaten IMEI's (of hele series tegelijk, door alleen de type-goedkeuringscodes aan het begin van de IMEI's op te slaan), een "black list" van IMEI's van gestolen telefoons en een "grey list", van telefoons die in de gaten gehouden worden, bijvoorbeeld in verband met mogelijk misbruik. Interessant is dat de Nederlandse GSM-providers deze EIR nog niet gebruiken om bijvoorbeeld gestolen telefoons te blokkeren of op te sporen. Het is bij sommige (vooral wat oudere) modellen telefoons overigens mogelijk om de IMEI te veranderen door de telefoon op een computer aan te sluiten en het desbetreffende deel van het geheugen van de telefoon met een nieuw getal te overschrijven. Ook het merk en de versie van de in de telefoon aanwezige software kan naar het netwerk worden verzonden, in de vorm van het zogenaamde Software Version Number (SVN). Als je ooit de IMEI van je telefoon wijzigt heeft het dus wellicht zin om de eerste acht cijfers hetzelfde te laten, zodat je IMEI nog klopt met merk en versie van je software.

Authentificatie
Naast de IMSI staat er op de SIM-kaart een geheim getal Ki. De kaart is zo gebouwd dat dit getal slechts met idioot veel moeite door derden van de kaart te halen is. Op de kaart is verder nog ruimte voor de opslag van het telefoonboekje van de eigenaar en eventueel een aantal opgeslagen tekstberichten. Als een telefoon aangezet wordt en zich aanmeldt op een netwerk wordt door middel van een cryptografische authentificatieprocedure gecontroleerd of de SIM-kaart beschikt over hetzelfde getal Ki dat ook bij de thuisprovider is opgeslagen. Dit gebeurt zonder dat het getal Ki ooit over de ether verzonden wordt, en op deze manier leek het GSM-netwerk betrekkelijk goed beveiligd tegen fraude.

De COMP-128 hack
Voor het versleutelen van de authentificatieprocedure zijn een aantal protocollen in gebruik. Een van de meest wijdverbreide is COMP-128. Enige tijd geleden kwam een groep Amerikaanse smartcard-deskundigen in het nieuws omdat ze in staat waren om GSM SIM-kaarten te klonen. Ze konden, als ze in het bezit waren van de originele SIM-kaart, het geheime getal Ki afleiden. Dit deden ze door herhaaldelijk tegenover de kaart te doen alsof men een telefoon was die zojuist een verzoek tot identificatie had ontvangen. Het gebruikte COMP-128 bleek zo zwak te zijn dat, door de antwoorden op deze vele verzoeken te vergelijken, het getal Ki kon worden afgeleid. Met Ki in de hand kon een duplicaat van de SIM gemaakt worden en had men een kloon in handen. De voor GSM gebruikte crypto-algoritmen zijn in miljoenen telefoons en honderdduizenden basisstations ingebouwd. Toch zijn deze algoritmen nooit openbaar gemaakt: alle bedrijven die telefoons of basisstations bouwen moeten Non-Disclosure Agreements tekenen voor men inzage krijgt. Het gevolg is dat er geen wetenschappelijke controle op de kwaliteit van deze algoritmen is geweest. Dit is de achterliggende oorzaak van de COMP-128 hack, en het is zeer waarschijnlijk dat ook de andere beveiligingen in het GSM-protocol zwakker zijn dan de makers doen voorkomen. In Nederland is het COMP-128 protocol in ieder geval bij KPN en bij Libertel niet in gebruik. Een klein aantal vroege GSM-providers was al jarenlang op de hoogte van de zwakheden van COMP-128. Deze selecte club heeft dus voor andere algoritmen gekozen, maar is "vergeten" om de rest van de wereld op de hoogte te stellen. Het gevolg is dat in 90 procent van de GSM-telefoons ter wereld gebruik wordt gemaakt van SIM-kaarten die te klonen zijn.

Versleuteling van gesprekken
GSM maakt gebruik van een crypto-algoritme om de inhoud van het gesprek over de ether te versleutelen. Zodra een telefoon zich tegenover het netwerk heeft geïdentificeerd beschikt de telefoon na de authentificatieprocedure over een zogenaamde content-key, een sleutel die net als het getal Ki nooit over de ether is verstuurd. Het netwerk dat het gesprek zal gaan vervoeren beschikt via de verbinding met de thuisprovider van de abonnee ook over deze content-key. Met behulp van deze content-key zal de rest van het gesprek worden versleuteld. Afhankelijk van het land waarin het basisstation zich bevindt gebeurt deze versleuteling met de algoritmen A5-1 of A5-2. Basisstations die gebruik maken van A5-1 mogen alleen worden verkocht aan vertrouwde landen (zoals de VS), A5-2 is voor gebruik in de meeste andere landen. Landen die helemaal geen vertrouwen van de internationale gemeenschap genieten moeten het zonder encryptie stellen.

Afluisteren
Voor het afluisteren van een GSM-gesprek is eigenlijk helemaal geen toegang tot de GSM-infrastructuur nodig. Een gesprek van of naar een GSM-telefoon wordt namelijk eerst vervoerd naar een van het zeer beperkt aantal knooppunten dat de communicatie met de rest van het telefoonnet regelt. Ook als het een gesprek tussen twee GSM-telefoons betreft maakt het gesprek vaak deze omweg om vervolgens weer terug het netwerk in te duiken. De digitale centrales op deze punten kunnen eenvoudig worden geïnstrueerd om de analoge gespreksinhoud beschikbaar te maken op een poort waar een recorder aan hangt of om de gesprekken digitaal door te sturen naar een tapkamer van de politie of een inlichtingendienst. Wat betreft de sterkte van de beveiligingsalgoritmen is het waarschijnlijk verstandig om te veronderstellen dat zowel A5-1 en zeker A5-2 door een gespecialiseerde dienst als bijvoorbeeld de NSA gemakkelijk te breken zijn. Maar aangezien een gesprek al bij het ontvangende basisstation in klare taal wordt omgezet om de verdere reis over het telefoonnet te maken is afluisteren via de ether voor inlichtingendiensten eigenlijk alleen nodig in het onwaarschijnlijke geval dat er geen medewerking van (enkele medewerkers van) de betrokken telecomprovider(s) verkregen kan worden. Sommige GSM-netwerken maken gebruik van basisstations die niet door kabels met de rest van het netwerk verbonden zijn. Deze cellen hebben een straalverbinding door de ether met een naburige cel die wel over een kabelverbinding met de provider beschikt. Via deze straalverbindingen worden alle gesprekken van de betreffende cel doorgeseind, en dat gebeurt veelal zonder enige cryptografische beveiliging; het GSM-protocol versleutelt immers alleen de weg van de telefoon naar het basisstation. Het afluisteren van straalverbindingen vereist nogal wat inspanning. Zo moet de ontvangstantenne tussen de beide partijen in worden geplaatst en wordt van hoge frequenties gebruik gemaakt. Voor de amateur misschien lastig, maar voor inlichtingendiensten wellicht beter haalbaar dan het opvangen van alle losse gesprekken.

De IMSI-catcher
Zodra een telefoon zich op het netwerk heeft aangemeld met de IMSI krijgt de telefoon een nieuw identificatiegetal toegewezen, dat TMSI heet. TMSI staat voor Temporary Mobile Subscriber Identity . De TMSI wordt versleuteld aan het toestel gegeven. Omdat die uitgifte door het net ook nog eens dagen geleden en honderden kilometers verderop gebeurd kan zijn, is het voor iemand die probeert het GSM-net af te luisteren op deze manier eigenlijk onmogelijk om zelfs maar vast te stellen welke toestellen aan het bellen zijn. Dat is natuurlijk vervelend voor wetshandhavers en inlichtingenmensen, die gefrustreerd hun nagels op lopen te eten terwijl ze vanaf een afstandje kijken naar mensen die bellen met een onbekend toestel en met een onbekende SIM-kaart. Gelukkig is daar een mouw aan te passen. Het GSM-netwerk heeft namelijk maar naar één kant authentificatie. Het GSM-netwerk weet door de controle met het geheime getal Ki wel precies of de SIM-kaart niet vals speelt. Maar de telefoon moet er maar op vertrouwen dat de vaste steunpunten in het netwerk die hij in de ether hoort inderdaad van zijn netwerkprovider zijn. Met een zogenaamde IMSI-catcher, die zich als steunzender van het GSM-netwerk voordoet, kunnen telefoons in de directe omgeving geforceerd worden om zich om te boeken naar deze nep-cel. Zodra de telefoons zich omboeken kan het "netwerk" dan terloops meedelen dat de TMSI niet meer geldig is en dan zal de GSM zich opnieuw met de IMSI aanmelden bij deze nep-cel. Nadat dit is gebeurd, kan de IMSI-catcher de zender uitzetten en zal de telefoon zich weer bij het echte netwerk aanmelden. Dit alles gebeurt zonder dat de gebruiker van de telefoon er iets van merkt. De betere IMSI-catchers kunnen zich zelfs tegen de rest van het netwerk ook voordoen als mobiele telefoon. Zo kunnen ze selectief de uitgaande gesprekken van één of meerdere abonnees die op de nep-cel zijn ingelogd zelfs doorverbinden, zodat de abonnee in noodgevallen ook zonder medewerking van de GSM-provider kan worden afgeluisterd. De Duitse firma Rhode & Schwartz maakt IMSI-catchers met en zonder meeluister-mogelijkheid.
GSM en de praktijk van opsporing en inlichtingenwerk

Wat betekent al het bovenstaande nu in de praktijk ? Laten we een denkbeeldige groep van vijf personen nemen. Onze vijf, laten we ze Anne, Bert, Charlotte, Dirk en Erik noemen, hebben elk een GSM telefoon en ze maken zich zorgen dat hun onderlinge communicatie wel eens afgeluisterd zou kunnen worden. Ze weten dat het voor een tegenstander erg gemakkelijk is om na te gaan wie welke GSM abonnementen heeft afgesloten, en dus kopen ze allemaal regelmatig nieuwe prepaid SIM-kaarten en wisselen ze ook regelmatig van telefoon. Sommigen hebben zelfs meerdere telefoons op zak zodat ze op meerdere nummers gebeld kunnen worden. Het is wat onhandig omdat iedereen steeds andere telefoonnummers heeft, maar het is wel zo veilig.

Onze vijf waren niet geheel onterecht bezorgd: hun tegenspeler, laten we hem Berend van Dijk noemen, is inderdaad bezig om hun communicatie in kaart te brengen en probeert zo veel mogelijk gesprekken af te luisteren. Berend beschikt over de benodigde machtigingen en/of onderhandse contacten om alle bestanden bij de GSM-providers in te zien, en de GSM-providers zijn hem uiterst behulpzaam. Omdat hij geen idee heeft van welke telefoons of prepaid SIM's de groep zich bedient gaat hij in de databases zoeken welke telefoons er allemaal inloggen op de cel bij Dirk om de hoek. Er blijken na enig spitwerk in die straat maar twee telefoons te zijn waar steeds nieuwe SIM's ingestopt worden. Eén van deze telefoons was op het Leidseplein ingelogd op het moment dat Dirk daar ook was voor een discussie over inlichtingendiensten, en dus concentreert Berend zich eerst op deze telefoon. Nadat hij een tap op dat nummer heeft, hoort hij inderdaad de stem van Dirk. Beet! Via de provider vraagt hij alle gegevens op over die kaart. De provider verstrekt hem een bestand met alle gesprekken die gevoerd zijn. Die lijst is niet zo heel lang want Dirk heeft die kaart pas twee weken geleden gekocht. Wat onmiddellijk opvalt is dat de gesprekken vanaf meerdere telefoons gevoerd zijn, omdat er verschillende IMEI's (serienummers van telefoons) bij de gesprekken staan. Bij de nummers die gebeld zijn staan ongetwijfeld ook de nummers van de andere vier, dus vraagt hij ook gelijk een bestandje van alle gesprekken die gevoerd zijn door die nummers. Berend vraagt aan alle providers nu een lijst van alle gesprekken die het laatste half jaar gevoerd zijn met die telefoons, ongeacht welke SIM-kaarten er in de telefoons zaten. Op de lijsten die hij nu krijgt staan weer meerdere IMSI's, en ook daarvoor vraagt hij weer zo'n bestandje aan. Vervolgens gaat Berend er eens goed voor zitten. Gelukkig bestaat er een programma dat ervoor gemaakt is om de wirwar die nu voor zijn ogen danst enigszins te ordenen. Na een dag puzzelen is Berend er uit en worden op precies de juiste prepaid nummers taps geplaatst. Als één van de vijf een nieuwe telefoon heeft stopt hij er altijd wel even een oude kaart in, of hij wordt gebeld door iemand die nog wel van een bekende kaart of telefoon gebruik maakt. Als iemand een nieuwe kaart heeft stopt hij die negen van de tien keer in een reeds bekende telefoon. Berend heeft de smaak helemaal te pakken. Hij vraagt elke dag op waar onze vijf zich zoal bevonden hebben die dag. De gemeten posities blijken vooral in de stad zo nauwkeurig dat hij er bijzonder vaak aan hem bekende adressen bij kan bedenken. De plekken waar onze vijf vaak uithangen en die hij niet direct als een bekend adres herkent worden volgende week nader bekeken door een ObservatieTeam dat hij dankzij al deze nieuwe technologie maar een paar dagen in plaats van een paar weken, hoeft in te zetten. Hij staart uit het raam. "Hmmmm, dat wachten tot 's middags om te weten waar ze uithangen is knap vervelend. Binnenkort toch eens vragen of we de providers niet wettelijk kunnen dwingen om ons die positie-informatie via een dataverbinding te geven. En dan wat mooie software met een kaartje van Nederland en dan....." Hij wordt gestoord in zijn overpeinzingen als een collega zijn kantoor binnenloopt. "Hee Berend, jij had toch een bestand met alle telefoons die in jouw kringetje circuleerden?" "Ehmmm, ja, hoezo?" "Nou, we zijn met een groepje bezig om al die lijstjes in een computer te stoppen en eens te kijken hoe die dingen precies circuleren. Zo kunnen we misschien de grote verbanden beter zichtbaar maken." Er blijft, de slimme lezer had het al door, niet erg veel geheim van de gesprekken van onze vijf.

Alles even op een rijtje:
Alle gesprekken die gevoerd zijn van of naar een bepaald toestel zijn gemakkelijk met elkaar in verband te brengen. Alle gesprekken die gevoerd zijn van of naar een bepaald nummer (prepaid of niet) zijn makkelijk met elkaar in verband te brengen. Ook alle gesprekken die gevoerd zijn van of naar een telefoon zijn in verband te brengen met alle andere gesprekken die ooit gevoerd zijn van of naar nummers van SIM-kaarten die ooit in die telefoon gezeten hebben, en met alle gesprekken op telefoons waar die kaarten dan weer in gezeten hebben, en naar alle nummers van SIM-kaarten die enz. enz. enz. Telefoons of SIM's wisselen helpt niet tenzij alle deelnemers in een contactnetwerk tegelijkertijd van telefoon en van SIM-kaarten wisselen. Een telefoontje van iemand in het netwerk vanaf een eerder gebruikte telefoon, of met een eerder gebruikte kaart in z'n nieuwe telefoon en al het werk van deze volkomen gelijktijdige omschakeling is voor niets. En één enkel gesprek van één deelnemer van zo'n netwerk van of naar een reeds bekend nummer en alles is ook voor niets.
De computers van de netwerkbeheerder weten van elke telefoon altijd ongeveer waar die is. Als de opspoorder ineens vijf telefoons mist en vijf nieuwe telefoons op ruwweg dezelfde lokatie ziet inloggen weet hij of zij ook hoe laat het is. Het vaak wisselen van telefoons of SIM's is wel een prima methode om je contactennetwerken voor de tegenstander zichtbaar te maken. Doordenkers: Twee telefoons die altijd samen van cel verwisselen zitten logischerwijs in dezelfde jas of in ieder geval in dezelfde auto. Groepen bekenden die ongeveer gelijktijdig hun GSM uitzetten hebben iets te verbergen. En ze zijn, als ze het vaker doen, in de databases ook heel goed terug te vinden. Als de tegenstander over een langere periode weet op welke dagen het spannend was, zijn alle voor die dagen afwijkende belpatronen en GSM-lokaties ook terug te vinden. Deze methode is bij één of twee gebeurtenissen niet bruikbaar, maar wordt akelig nauwkeurig zodra meer tijdstippen bekend zijn. Nog korter samengevat: gesprekken met GSM telefoons zijn nooit anoniem, welke kaart er ook in zit. Het gebruik (of het regelmatig dragen) van GSM telefoons door hen die iets te vrezen hebben van een tegenstander met toegang tot de databases van de GSM-providers is dom, dom, dom. "Ja maar", horen wij je denken. Je las immers laatst in de krant dat justitie juist grote moeite heeft met die prepaid kaarten en dat ze zelfs willen dat die alleen nog op naam worden uitgegeven. Feit is dat veel nieuwe ontwikkelingen in de telecommunicatie (doorschakelen, autotelefoons, ISDN, GSM, netwerken met meerdere providers, prepaid GSM, kabelmodems *, ADSL *) op een bepaald moment tot "probleem voor justitie" zijn uitgeroepen. Dit gebeurt dan meestal door middel van een tendentieus artikel in De Telegraaf , en meestal met de conclusie dat er nu toch snel iets aan moet gebeuren. Maar nieuwe telecommunicatiediensten maken het leven van de opspoorder en inlichtingenman over het algemeen alleen maar gemakkelijker. Je kunt je afvragen wie er belang bij heeft om zo'n perfect stuk massabewakingsgereedschap (al dan niet prepaid) als GSM af te schilderen als het Walhalla van ongehinderde anonieme en veilige communicatie.

* = op het moment dat je dit leest wellicht al officieel een "probleem voor justitie".

Terwijl dit hoofdstuk geschreven werd bereikte ons de eerste harde informatie dat de rechter-commissarissen in Nederland nu tapmachtigingen voor mobiele telefoons niet alleen meer op telefoonnummer (en dus eigenlijk op IMSI) maar ook op serienummer van het toestel (IMEI) uitgeven.

ISDN

In 1985 was het British Telecom die ISDN, ofwel Integrated Services Digital Network, als eerste aanbood. Met ISDN kunnen alle soorten gegevens -spraak, beeld, geluid of computerdata- met hoge snelheid digitaal verzonden worden. Vooral door de komst van Internet en de behoefte aan snellere verbindingen nam het gebruik van ISDN een hoge vlucht. Maar ook faxen, video-conferencing, thuiswerken met toegang tot het computernetwerk op je werk, apparatuurbediening op afstand (bruggen, drukpersen) of het verbinden van computernetwerken zijn toepassingen waarbij veel van ISDN gebruik gemaakt wordt. En natuurlijk wordt ISDN gebruikt voor telefonie. Bij analoge telefonie worden er spraaksignalen op de lijn gezet. In de telefooncentrales van de KPN, die in Nederland al enige tijd digitaal zijn, worden deze geluidssignalen gedigitaliseerd (in enen en nullen omgezet). Met een ISDN-aansluiting wordt het gesprek al digitaal aan de telefooncentrale doorgegeven. Je hebt daardoor veel minder last van interferentie en ruis. ISDN vertegenwoordigt een complete netwerkarchitectuur. Die architectuur betreft de protocollen, standaards, apparatuurkoppelingen, toegang tot het netwerk en overdrachtsmedia. Zo kan een ISDN-verbinding via koper- of glasvezelkabel lopen, maar ook via allerlei draadloze media gaan zoals radio, satelliet, laser, infrarood of microgolf. Aanvankelijk was het een probleem dat bij ISDN in de VS iets andere standaards gebruikt werden dan in de rest van de wereld en er per land op sommige uitvoeringsniveaus verschillen bestonden. Maar de koppelingen tussen willekeurig welke ISDN-systemen in de wereld leveren tegenwoordig geen enkel probleem meer op. Net als bij analoge telefonie gaat het bij ISDN om dial-up verbindingen. Dat wil zeggen dat een verbinding pas gemaakt wordt als er daadwerkelijk gegevens uitgewisseld moeten worden en dat de verbinding weer verbroken wordt als de gegevensuitwisseling weer beëindigd is. Het opbouwen van een ISDN-verbinding gaat in minder dan twee seconden. Ter vergelijking: bij het gewone telefoonnet kan een modem daar dertig tot zestig seconden over doen.

B-kanalen en D-kanaal

Het minimale standaardpakket heet ISDN-2 (Dit wordt ook wel Basic Rate Interface (BRI) genoemd). In Europa bestaat dit uit twee B-kanalen van 64 kbps en een D-kanaal van 16 kbps. Sommige grotere bedrijven en Internetproviders hebben één of meerdere ISDN-30 aansluitingen, bestaande uit dertig 64 kbps B-kanalen en een D-kanaal (Dit wordt een Primary Rate Interface (PRI) genoemd). Breedband ISDN (B-ISDN) dat snelheden aan kan van 150 Mbps, is nog in ontwikkeling en zal een volledig glasvezelkabelnetwerk zijn. De B-kanalen worden meestal gebruikt voor telefonie, Internet, video of fax. Zeg maar voor directe communicatie tussen mensen. Het D-kanaal helpt bij de opbouw en verdere besturing van een verbinding, maar heeft ook andere mogelijke toepassingen. Zo wordt het D-kanaal ook wel gebruikt voor het versturen van pincode-informatie, het op afstand bedienen van bewakingscamera's of voor het versturen van informatie van sensoren en alarmapparatuur naar een meldkamer. Daarvoor moet men zich op speciale diensten van KPN Telecom abonneren als Digi-Access PIN of Digi-Access Alarm. Het is mogelijk de twee B-kanalen van ISDN-2 gelijktijdig voor twee verschillende functies te gebruiken. Je kunt dan bijvoorbeeld bellen naar je familie in het buitenland en tegelijkertijd een fax versturen. Je kunt ook de twee B-kanalen bundelen zodat je een 128 kbps verbinding kunt leggen. Dit is handig bij een verbinding met Internet.

ANALOGE- EN ISDN-APPARATUUR

Wie overstapt naar ISDN-2 moet een aansluiting aanvragen bij de KPN of een aan haar gelieerd bedrijf. Wat betreft je oude (analoge) apparatuur, deze moet je óf vervangen door digitale varianten óf je schaft een A/B-adapter aan. Een A/B-adapter kan analoge signalen, zoals spraak, omzetten naar een digitaal signaal. Met een A/B-adapter zou je zelfs je analoge modem voor de verbinding naar het Internet kunnen blijven gebruiken, maar dan moet je wel een snel modem hebben anders maak je verre van optimaal gebruik van de mogelijke bandbreedte van ISDN. Een apparaat met meerdere aansluitingen voor analoge apparaten heet ook wel A/B-centrale of ISDN-centrale. Je kunt ook de oude analoge telefoon, fax en modem verkopen en digitale varianten daarvan aanschaffen. In plaats van modem heb je dan een ISDN-adapter. In Europa en Japan is het standaard mogelijk acht ISDN-apparaten aan te sluiten op één ISDN-2 aansluiting. In een bedrijfsomgeving worden vaak ISDN-routers gebruikt. Een router is een apparaat dat binnenkomende data-stromen bekijkt en doorstuurt naar verschillende bestemmingen in een netwerk. Hiermee wordt het mogelijk alle computers die deel uitmaken van een netwerk via één ISDN- verbinding Internet toegang te verschaffen, een inbelfaciliteit te creëren voor tele- en thuiswerkers of computernetwerken op verschillende lokaties met elkaar te verbinden. Alle ISDN-apparatuur moet altijd het D-kanaal besturingsprotocol ondersteunen dat in de lokale KPN centrales wordt gebruikt (In Nederland heet dit DSS1, E-DSS1, ETSI of Euro-ISDN).

APPARATEN AANSLUITEN

Wanneer de KPN ISDN-2 komt aanleggen wordt de oude telefoonstekkerdoos in de muur vervangen door een andere, de zogenaamde NT1 (Network Terminator 1). Deze NT1 blijft eigendom van de KPN en bevindt zich daar waar ISDN het huis binnenkomt. Dit is het scheidingspunt tussen de KPN-infrastructuur en de randapparatuur van de gebruiker zelf. De bedrading vanaf de KPN-centrale tot de NT1 heet de U-bus. Bij een ISDN-2 aansluiting is de U-bus, net als bij analoge lijnen, gewoon tweedraads koper. De ISDN bekabeling is na de NT1 binnenshuis vierdraads en wordt de S-bus genoemd. Hierop worden ISDN-apparaten aangesloten. Daartoe leg je een busstructuur-netwerk aan met gewoon telefoondraad, RJ-45 pluggen en ISDN-contactstekkers, waar het aansluitsnoer van de ISDN-apparatuur wordt ingeprikt. In onderstaande figuur zie je een voorbeeld van een S-bus met een analoge telefoon en drie ISDN-telefoons.

ISDN-CENTRALES

ISDN-centrales zijn er in diverse soorten. In haar simpelste vorm is het niet meer dan een apparaat met meerdere A/B-aansluitingen voor analoge apparatuur. De aanschaf van zo'n ISDN-centrale is de moeite waard als je meerdere analoge apparaten hebt. Zo'n huiscentrale met voldoende A/B poorten en MSN's (Multiple Sunbscriber Network), maakt dat de analoge telefoontoestellen op de slaapkamer, huiskamer, werkkamer, de modem, de fax en het antwoordapparaat op een eigen nummer kunnen reageren. MSN is de mogelijkheid om meerdere aanroepnummers, standaard tot maximaal acht, op één ISDN-aansluiting te hebben.Je zou op deze wijze bijvoorbeeld ook een eigen nummer kunnen toekennen aan elke bewoner van een studentenhuis. Een oproep van buiten, bijvoorbeeld een binnenkomende gespreksaanvraag, wordt via het D-kanaal bekendgemaakt. Analoge apparaten weten via de programmering van de A/B-poort op welk nummer ze moeten reageren: ISDN apparaten moeten zelf zijn geprogrammeerd om op het juiste nummer te reageren. Het programmeren van een ISDN centrale gaat meestal via een computer die door de seriële poort aan de centrale is gekoppeld. Er bestaan centrales met alleen A/B-poorten, met ook ISDN-poorten, alsmede centrales met een extra, ingebouwde S-bus waardoor het mogelijk wordt om meer dan acht ISDN-apparaten aan te sluiten. Bij dit laatste type gaat het meestal niet meer om een kleine huiscentrale maar om een bedrijfscentrale.

***** Afbeelding invoegen

Afhankelijk van de door de fabrikant ingebouwde functionaliteit, kunnen de diverse merken en types ISDN-centrales meer of minder mogelijkheden van ISDN ondersteunen.

Mogelijkheden van ISDN

Afstandbediening

De wat grotere bedrijfscentarles hebben meestal de mogelijkheid om op afstand bediend te worden.

AOC

(Advice of Charge). Met deze aanvullende dienst ziet de beller de kosten van het gesprek op het display van het telefoontoestel.

MSN

(Multiple Subscriber Network) oftewel de mogelijkheid om meerdere, tot maximaal acht, telefoonnummers op die ene ISDN-aansluiting te hebben. Niet gratis.

CONFERENCE CALL

Driegesprek. Als een tweede gesprek is opgebouwd of als er een tweede oproep is beantwoord, kunnen de twee tot stand gebrachte gesprekken worden gecombineerd tot een gesprek met drie personen.

CALL HOLD / CALL WAITING

Call Hold of Wisselgesprek. De gebruiker kan op een ISDN-telefoon een indicatie ontvangen dat er nog een inkomend gesprek is terwijl alle B-kanalen reeds zijn bezet. Met wachtstand (Call Waiting) kan een lopend gesprek even worden "geparkeerd", zodat het nieuwe binnenkomende gesprek aangenomen kan worden. Deze dienst is minder interessant bij ISDN dan bij analoge lijnen, omdat een ISDN-lijn toch al twee gesprekken aankan. Het zou dan hoogstens om een derde gesprek gaan (of een tweede gesprek indien er bijvoorbeeld vanaf een PC ook een Internet verbinding loopt). Wisselgesprek, Wachtstand en Direct Doorschakelen worden tesamen ook wel Dienst Bereikbaarheid genoemd. De ISDN-dienst wisselgesprek moet apart worden aangevraagd.

CALL FORWARDING UNCONDITIONAL

Direct doorschakelen. Met deze faciliteit kan een nummer naar elders worden doorgeschakeld. Bij ISDN kan dit per MSN en per type verbinding (spraak, data) worden gekozen: alle oproepen (*210), alleen spraak/audio (*211), alleen 64k data (*212). Sommige ISDN telefooncentrales kunnen ook zelf doorschakelen naar externe nummers. Zij gebruiken hiervoor simpelweg een ander vrij B-kanaal.

CALL FORWARDING NO REPONSE

Doorschakelen bij geen gehoor. Met deze faciliteit kan een nummer naar elders worden doorgeschakeld. KPN's VoiceMail maakt van deze dienst gebruik.

CALL BUMPING

Als beide communicatiekanalen (B-kanalen) in gebruik zijn ten behoeve van een 128K-verbinding kun je niet meer bereikt worden. Mensen die je proberen te bereiken krijgen de ingesprektoon. Als de apparatuur echter ondersteuning voor Call Bumping heeft, kan door de signalering via het D-kanaal een B-kanaal worden vrijgemaakt voor een gesprek. De data-verbinding wordt hierdoor teruggebracht tot 64 kbps.

CLIP

Calling Line Identification Presentation, CallerID of nummeridentificatie. Indien vanaf een ISDN-aansluiting naar een andere ISDN-aansluiting wordt gebeld, kan daar het telefoonnummer van de opbellende partij worden getoond. Dit is een gratis dienst, en zit standaard bij alle ISDN-lijnen.

CLIR

Calling Line Identification Restriction. De bellende partij kan verbieden dat zijn nummer zichtbaar wordt aan de andere kant (tegenhanger van CLIP).

CCBS

(Call Completion on Busy Subscriber). Deze dienst wordt spoedig geïntroduceerd. Als je iemand niet kunt bereiken omdat die persoon in gesprek is kun je door het indrukken van de 5 op je toestel deze dienst inschakelen. Je wordt dan teruggebeld door de centrale in het ISDN-netwerk van KPN Telecom zodra die persoon weer bereikbaar is. Neem je dan de telefoon op dan hoor je bij die persoon de telefoon overgaan.

COLP

Connected Line Identification Presentation. Het bereikte nummer wordt weergegeven. Dit kan een ander nummer zijn dan het gekozen nummer, bijvoorbeeld doordat er werd doorverbonden.

COLR

Connected Line Identification Restriction. Hiermee kan de gebelde partij voorkomen dat de bellende partij zijn nummer op het display ziet, of het nummer waarmee hij is doorverbonden.

MCID

Malicious Call Identification. Deze dienst dient ter identificatie van kwaadwillige oproepen. Dit is te vergelijken met de plaaggevallen-regeling in het analoge net.

OCB

Outgoing Call Barring. Met deze aanvullende dienst is het mogelijk om een bepaalde categorie nummers te blokkeren.

UUS

User to User signalling. De mogelijkheid om in het D-kanaal gegevens te versturen tussen gebruikers. Binnenkort zal deze dienst door KPN Telecom geïntroduceerd worden.

SUB

Sub Adressering. Met deze aanvullende dienst kan de beller achter het te bellen telefoonnummer een regel van twintig tekens meegeven. Deze regel komt bij de ontvangende partij terecht waarna deze besluit het gesprek wel of niet te accepteren. Voor wachtwoorden, PIN-codes en networkmanagementberichtjes.
Een ISDN-centrale wordt vaak verkocht met bijbehorende telefoons en andere apparatuur. Centrale en/of apparatuur beschikken soms ook over opvallende, niet per se aan ISDN gerelateerde functies. Zo is daar soms de mogelijkheid het apparaat als babyfoon te gebruiken waardoor een ruimte elders in het gebouw te beluisteren is of er is een eigen geheugen ingebouwd voor het onthouden van nummers.

Afluistermogelijkheden bij ISDN

Wilde je vroeger een telefoonlijn afluisteren dan ging het er om een stukje hardware met twee klemmetjes op de juiste draadjes te zetten. Met gedigitaliseerde data is het niet meer zo simpel. Over de twee koperdraadjes gaan alle bits van de B-kanalen en het D-kanaal. Dat kan data van verschillende soorten verbindingen zijn (telefonie, video, fax) en bovendien de benodigde sturing-signalen van het D-kanaal. De apparatuur die bij de gebruiker staat is steeds geavanceerder en de oorspronkelijke communicatie wordt pas na bewerking via diverse combinaties van protocollen digitaal op de lijn gezet. Over die protocollen alleen al zijn hele bibliotheken te vullen. Wil je ISDN afluisteren, dan moet je dus de bits die over de twee koperdraadjes gaan en van diverse type overdrachten kunnen komen of D-kanaal communicatie betreffen, weer terug herleiden tot zinvolle data, geluid of video. Daarmee is het afluisteren van ISDN een stuk complexer en duurder geworden dan het afluisteren van de analoge telefoon. Dat betekent uiteraard niet dat het niet gebeurt. Toch is het veiligheidsbewustzijn zodra het om ISDN gaat, ver te zoeken. Controle checks of specifieke beveiliging blijken eerder uitzondering dan regel. Voor een afluisteraar is de eerste stap een protocol-analyser. Zo'n apparaat plus bijbehorende software is voor iets meer dan twintigduizend gulden vrij op de markt verkrijgbaar. Het gaat dan niet eens om specifieke afluisterapparatuur, maar om testapparatuur. Een protocol-analyser laat zich gemakkelijk in het ISDN-netwerk koppelen, is niet traceerbaar, op afstand te bedienen via een PC en kent alle bekende protocollen. Ze is te verstoppen bij je thuis in dubbele plafonds, kelders of andere plekken, maar ook in schakelkasten of in de KPN-centrales. Het enige wat nodig is, is fysieke toegang tot het ISDN-net. Zo'n protocol-analyser kopieert de bits, analyseert de data en detecteert de gebruikte protocollen. Als eenmaal de protocollen geïdentificeerd zijn is de tweede stap voor een afluisteraar de bitrij met behulp van diezelfde gedetecteerde protocollen weer terug te vertalen naar betekenisvolle gegevens. Voor fax-data kun je daartoe een fax gebruiken, voor modemverkeer een modem en voor een telefoongesprek een telefoon. Het is niet moeilijk voorstelbaar dat er een apparaat bestaat dat beide bovenstaande stappen kan nemen en bijvoorbeeld bij de KPN-centrale staat om met jouw communicatie mee te luisteren. De enige beveiliging hiertegen is het versleutelen van de gegevens. Hiertoe zijn specifieke apparaten te koop die spraak, fax, video of dataverkeer kunnen versleutelen. Het nadeel is alleen dat vaak niet controleerbaar is hoe goed ze zijn omdat de gebruikte crypto-algoritmen geheim zijn en nooit met zekerheid te zeggen is of de fabrikant geen achterdeurtjes heeft ingebouwd. Ook softwarematig is versleuteling te verwezenlijken.

D-Kanaal  Manipulaties


Het afluisteren van ruimtes

Het D-kanaal is een potentieel zwakke schakel vanuit het oogpunt van beveiliging. Over dit kanaal gaan in ieder geval de sturingssignalen die een communicatie tot stand laten komen of beëindigen, maar het kan ook bitcombinaties bevatten die op afstand bepaalde functies van aangesloten apparaten inschakelen of de informatie van de sensoren van je inbraakbeveiliging. En dit D-kanaal is standaard niet beveiligd. In theorie is het mogelijk op afstand bedienbare ISDN-apparaten te manipuleren via het D-kanaal, vanaf elk punt in het ISDN-netwerk waar ook ter wereld. Stel je hebt een antwoordapparaat met afstandsbediening of een ISDN-telefoon met babyfoon-functie. Deze handige features waarmee apparatuur dikwijls aangeprezen wordt, maken het mogelijk de microfoon softwarematig in te schakelen terwijl de hoorn op de haak ligt. Zonder dat je er weet van hebt kunnen de gesprekken in de ruimte waar het apparaat zich bevindt meegeluisterd worden. Ook vóór het ISDN-tijdperk kon bij telefoons via f requency-flooding (1) de microfoon van het toestel op afstand ingeschakeld worden, terwijl de hoorn gewoon op de haak lag. Bij ISDN-telefoons is een vergelijkbare truc in veel gevallen dus nog eenvoudiger. Als enige bescherming kan de eindgebruiker een viercijferige pincode gebruiken. Om de afluisteraar nog enig werk te geven moet dan op z'n minst die code regelmatig veranderd worden. In sommige landen bestaan voorschriften waar apparatuur aan moet voldoen als de babyfoon-functie wordt ingeschakeld. De apparatuur moet een waarschuwingstoon uitzenden. De toonhoogte en duur van het signaal kunnen echter nogal verschillen en bijvoorbeeld een kort signaal van tien khz is nauwelijks waarneembaar.

Andere D-kanaal manipulaties

Veel bedrijven vinden de configuratie van hun uitgebreide ISDN-centrale te ingewikkeld en hebben dit via onderhoudscontracten uitbesteed aan de leverancier of een andere dienstverlener. Bijna al die grote en middelgrote ISDN-centrales zijn op afstand te bedienen. Het bedrijf dat de centrale onderhoudt kan zo de software-upgrades voor de centrale of monitoring van voorkomende problemen op afstand uitvoeren. Voor de afstandsbediening moet een wachtwoord gegeven worden. Kwaadwillenden bij zulke onderhoudsbedrijven zouden normale functies, zoals het driegesprek, ongemerkt kunnen inschakelen en zo een gesprek kunnen meeluisteren. Als de code die het mogelijk maakt de apparatuur op afstand te bedienen zwak is, is dat ook weer een interessante uitdaging voor andere partijen. De fabrikanten die ISDN centrales verkopen vertellen het altijd mooi en er worden voorbeeldige veiligheidsmaatregelen voorgehouden. Zij praten bijvoorbeeld over lange codes voor afstandsbediening die random gemaakt worden en versleuteld worden opgeslagen, en over centrales die alarm slaan na een beperkt aantal verkeerde inlog-pogingen. In de praktijk blijkt het echter niet zelden standaardcodes te betreffen die bij vele technici in het bedrijf van de fabrikant en/of het onderhoudsbedrijf bekend zijn en soms zelfs ook daarbuiten. Van wat oudere Philips Octopus centrales, die nu niet meer verkocht worden maar nog wel bij diverse klanten kunnen staan, is ontdekt dat bepaalde configuratiemogelijkheden via het D-kanaal mogelijk waren zonder dat om een afstandsbedieningscode werd gevraagd en zonder dat het alarm afging dat de centrale tegen ongeoorloofde D-kanaal manipulaties moest beschermen. De centrale accepteerde bepaalde opdrachten via de interne S-bus. Philips vervangt overigens deze centrales kosteloos tegen nieuwere modellen. Een inbraak op de centrale via de afstandsbedieningsmogelijkheid is relatief gezien gemakkelijk omdat deze zonder ingrijpen op het fysieke net kan plaatsvinden. Wie eenmaal binnen is kan de centrale naar believen herconfigureren. Een indringer kan daarbij andere doeleinden hebben dan afluisteren en bijvoorbeeld bepaalde diensten blokkeren of telefoonnummers van bellers achterhalen. Een andere optie is het via de centrale doorschakelen van een telefoonnummer naar een ander nummer in het buitenland. Vergelijkbaar met *21, maar dan op afstand te activeren en bovendien ook naar het buitenland of dure 0900-nummers door te schakelen. De inbreker draait het lokale nummer en wordt verbonden met tante Beb in Nieuw Zeeland. De lange afstandskosten zijn dan uiteraard voor het gedupeerde bedrijf.

D-Kanaal beveiliging


De gevoeligheid van ISDN-apparatuur hangt enerzijds af van het systeem zelf (hardware en/of software) en anderzijds van de configuratie. Op beide punten zitten vaak fouten in ISDN-apparatuur. Bovendien, de wel ingebouwde beschermingsmogelijkheden blijven dikwijls onbenut omdat mensen ze niet kennen of niet goed gebruiken. Wat betreft grote ISDN-bedrijfscentrales is de hack-mogelijkheid in de praktijk hoog te noemen. De integriteit en veiligheid van de software die op dit moment voor ISDN-centrales wordt gebruikt is namelijk nauwelijks vast te stellen. De reactie van die software op bepaalde D-kanaal commando's is daardoor moeilijk te achterhalen. Om deze reden heeft de Duitse BSI (Bundesambt für Sicherheit, de instantie die verantwoordelijk is voor het certificeren van hardware- en softwarestandaarden met betrekking tot beveiliging) opdracht gegeven voor de ontwikkeling van een D-kanaal firewall. Zo'n firewall moet ongewenst gebruik van het D-kanaal voorkomen en achterdeurtjes in ISDN-apparatuur dichten. Het wordt gemaakt door SIT, een dochter van Rohde & Schwartz en als volgt aangeprezen: Unauthorized attempts to use features and services are countered by the D-channel filter with a link cleardown (disconnect or release) and are recorded, according to the user-defined settings. The same happens when unknown and unauthorized protocol elements or protocol sequences are detected. In addition to the recording of any attempt of intrusion, a permanent optical alarm is provided and an acoustic interval alarm is output. All administration procedures are recorded .(2) Dit D-kanaal filter maakt gebruik van nummeridentificatie (CLIP) om in- en externe nummers te checken en controleert welke diensten en functionaliteiten aangesproken worden. Hoe veilig zo'n D-kanaal filter is hangt deels af van de vraag hoe sterk CLIP als identificatiemechanisme is. Een indringer zou tenslotte ook kunnen proberen zich als iemand anders voor te doen. Dit wordt CLIP-spoofing genoemd. Dit is theoretisch mogelijk omdat in de praktijk in sommige telecommunicatieknooppunten nog wel eens informatie verloren gaat. In die knooppunten vindt protocol-omzetting plaats naar CCITT7; het protocol dat voor communicatie tussen dergelijke knooppunten gebruikt wordt. Bij een vals aanroepnummer geeft CLIP een waarschuwing mee en juist deze aanwijzing kan bij sommige wat oudere knooppunten tijdens de protocol-omzetting verloren gaan. In zo'n geval kan de indringer zich dus toch een geloofwaardige identiteit aanmeten. Hoewel zo'n aanval niet eenvoudig is, en vele knooppunten het bedrog zullen merken en de ware identiteit van de indringer kunnen achterhalen, is nummeridentificatie als enige beveiliging van het D-kanaal dus niet perfect.

Veiligheidsmaatregelen voor ISDN-centrales en apparatuur


Data Protect (3) is een door ex-hackers opgezet bedrijf dat zich onder andere met de beveiliging van ISDN-centrales bezig houdt. Op de door hen beveiligde centrales laten zij regelmatig een scanner los die alle aangesloten nummers afbelt en alle fax-, data- en spraaktoestellen classificeert. Indien een persoon telefonisch reageert dan wordt een standaard boodschap afgespeeld. Eventueel kunnen met behulp van referentieopnames van kantoormedewerkers de antwoordende personen geverifieerd worden door vergelijking van het Spraak Frequentie Spectrum. Voor een doorsnee bedrijf gaan zulke maatregelen natuurlijk te ver. Gelukkig kom je ook een eind met minder ingrijpende maatregelen.

  • Vraag een schriftelijke bevestiging van de leverancier dat er geen verborgen functionaliteiten zijn.
  • Verander direct alle standaard wachtwoorden voor afstandsbediening en configuratie van de apparatuur.
  • Verander regelmatig het wachtwoord en zorg ervoor dat niet meer mensen dan noodzakelijk dit wachtwoord kennen.
  • Wordt de apparatuur op afstand bediend, spreek dan specifieke tijden af voor het onderhoud en blokkeer de functionaliteit voor overige tijden.
  • Laat de centrale ­indien mogelijk- terugbellen naar het bedrijf dat de centrale onderhoud alvorens onderhoudswerkzaamheden plaats kunnen vinden.
  • Definieer alle functionaliteiten die gebruikers mogen gebruiken.
  • Zorg dat geen enkele netwerkcomputer via modem of ISDN-kaart met de telefooncentrale is verbonden. Zet zulke PC's op een lijn die buiten de centrale om gaat.
  • Versleutel de ISDN-data naar en van de Internet-provider.

Openbare telefoons

Wat doe je als je denkt dat je telefoon afgeluisterd wordt? Juist, onopvallend naar een telefooncel gaan. Toch zijn er ook bij deze ogenschijnlijk anonieme communicatievorm wel de nodige kanttekeningen te plaatsen. Dat het niet zo slim is om met je persoonlijke chipknip of creditcard te bellen zullen de meeste mensen zelf wel bedenken. Maar ook de wegwerpkaarten van vijf of tien gulden die de sigarenboer verkoopt, blijken een serienummer te hebben. Weliswaar niet per stuk, maar in series van tien of honderd stuks. En omdat naast het serienummer van zo'n kaart bij een gesprek ook het huidige saldo bekend is, zijn de kaarten al heel snel individueel te traceren op de combinatie van nummer en saldo. Je hoeft dan ook maar één keer met zo'n kaart naar een "bekend" nummer te bellen, en er kan een elektronische tap op dit serienummer worden gezet. Stel bijvoorbeeld dat je anoniem met zo'n kaart telefonisch de verantwoordelijkheid opeist voor een politieke aktie. Een paar weken later bel je je moeder eens met dezelfde kaart, om haar te feliciteren. Op dat moment gaan er bij de centrale allerlei bellen rinkelen, en binnen enkele minuten wordt de telefooncel omringd door politie. Vergezocht? Er is al minstens één persoon in Nederland op exact deze wijze opgepakt... In tegenstelling tot buitenlandse telefoonmaatschappijen wil de PTT niet prijsgeven onder welk nummer een bepaalde telefooncel te bereiken is. Maar de meeste cellen hebben wel degelijk een eigen nummer, en dus kun je in principe van de ene telefooncel naar de andere bellen. Op de site van Klaphek, www.klaphek.nl, staat een uitgebreide lijst van zo'n duizend cellen in Nederland waarvan het nummer bekend is. Nu zijn er sinds kort in Nederland weer cellen te vinden die gewoon op muntjes werken. Helaas zijn deze Telfort-cellen alleen op stations aan te treffen. Bij de huidige camera-dichtheid is het een redelijk veilige veronderstelling dat er geen een van deze cellen buiten het bereik van een beveiligings-camera staat. Daarnaast zijn er vele andere mogelijkheden om gebruikers van telefooncellen op te sporen: vingerafdrukken, haren, huidschilfers en andere DNA-bronnen worden allemaal al in de praktijk toegepast. Weliswaar niet zo vaak, maar het ligt er maar net aan hoe graag men wil weten wie je bent. Spraakanalyse is ook een geliefd speeltje van technische rechercheurs. Al deze methoden zijn des te kansrijker naar gelang men sneller weet vanaf welke cel je belt, en deze tijd is bij een telefoongesprek naar "bekende" nummers eerder in seconden dan minuten uit te drukken.

De acoustic coupler

Héél lang geleden, in een land ver weg van hier.... bestonden er nog geen gestandaardiseerde stekkertjes om je modem in een telefoonaansluiting te pluggen. De eerste modems voor privé-gebruik in dit grijze verleden (zeg zo'n twintig jaar terug, een halve eeuwigheid binnen de technologie) maakten dan ook gebruik van een zogenaamde acoustic coupler. Dit vernuftige apparaatje bestond uit twee "schelpen" met een microfoontje en een luidsprekertje erin, waarin je dan de hoorn van je telefoon moest leggen. Het luidsprekertje piepte in het mondstuk van de hoorn, en het microfoontje luisterde aandachtig naar de piepjes die uit het oor-gedeelte kwamen... Op deze manier konden dataverbindingen gelegd worden met een snelheid van wel driehonderd bits per seconde. Tegenwoordig is er een moderne variant te krijgen, die hogere snelheden aankan. En er zijn een hoop redenen waarom het erg handig kan zijn om hiermee te werken:

  • Over de hele wereld bestaan minstens vijftig verschillende gestandaardiseerde telefoonstekkertjes. Voor een beetje wereldreiziger is het nauwelijks te doen die allemaal in de koffer te pakken.
  • Telefooncellen hebben meestal niet de beschikking over een stekkerverbinding die voor de beller zelf toegankelijk is.
  • Steeds meer hotels gebruiken digitale telefooncentrales. Een aantal van deze centrales maken gebruik van hetzelfde soort stekkertje dat in de VS en Europa gangbaar is, maar zetten daar geheel andere signalen op. De voltages die hier gehanteerd worden kunnen je modem, plus eventueel je laptop, binnen een oogwenk grillen.
  • Het maakt niet veel uit of je de acoustic coupler gebruikt op een gewone telefoon, een ISDN-telefoon, of een GSM of oudere mobiele telefoon. Via sommige systemen is de geluidskwaliteit wat hoger, en zul je data wat sneller kunnen versturen. Maar in het algemeen geldt: als je erdoor kunt praten, kun je er ook door faxen of een dataverbinding leggen.

In de praktijk zijn er vaak verschillende redenen waarom je, ook in deze tijd van Internet en e-mail, toch gebruik wilt maken van een verouderd en uitermate simpel af te luisteren medium als fax:

  • Alle kranten en persbureaus hebben een faxnummer. Erg handig om een persbericht over een of andere actie door te geven, en daarbij anoniem te blijven.
  • Je zit in Kazachstan en moet dringend een boodschap doorgeven. Het fax-protocol is, juist omdat het zo simpel is, nog over de meest krakkemikkige telefoonleidingen te gebruiken.

In principe is het in beide gevallen voldoende om een bruikbare telefoon op te sporen, je laptopje open te klappen en het faxprogramma aan te zetten. Maar het kan voor voorbijgangers of camera's nogal opvallen als je met een laptop en een acoustic coupler staat te balanceren. Handiger is het dan ook om bijvoorbeeld gebruik te maken van een zogenaamde palmtop, zoals de Palmpilot. Dit apparaatje past samen met het bijpassende modem en de acoustic coupler in je binnenzak, en je hoeft niet eerst te wachten totdat Windows eindelijk is opgestart. Zodra je een telefoon hebt gevonden waar je even alleen de beschikking over hebt, kun je aan de slag. Hoorn pakken, de acoustic coupler door middel van de bijgeleverde klittebandsluiting stevig ertegenaan plakken en bellen maar. Over de opspoorbaarheid van communicatie per GSM, telefoonkaarten en dergelijke kun je elders alles vinden, zodat je enigszins kunt bepalen voor welke gevallen je welke voorzorgsmaatregelen moet nemen. De hamvraag is natuurlijk: werkt het? Wonder boven wonder, het werkt! Het bellen is niet zo comfortabel als met een standaard-telefoonaansluiting, maar het gaat wel. Als de verbinding tot stand gekomen is, gaat het datatransport verrassend goed: ik heb de acoustic coupler inmiddels uitgetest in diverse landen, en met een grote verscheidenheid aan telefoonmodellen. Over goede leidingen zijn snelheden tot 28k8 haalbaar, over een GSM maximaal 2400 baud wegens de gebruikte compressie. En natuurlijk kan het vanuit een telefooncel of gebouw: de acoustic coupler weegt weinig, heeft een eigen batterij en valt met enig geweld in elke gewenste vorm te buigen, waardoor hij zowel op onze vertrouwde PTT-hoorns past als op de postmoderne design-telefoons in een kantoorgebouw.

Oproepsystemen

Omdat tegenwoordig elke zichzelf respecterende burger een GSM heeft, lijkt het er op dat de oproepsystemen (de semafoons en andere piepers) een stille dood aan het sterven zijn. Dat is jammer, want semafoons zijn erghandige apparaten, zeker waar het anonieme communicatie betreft. Een pieper is namelijk alleen een ontvanger. Alle berichten zijn overal in het gehele netwerk te ontvangen, en het netwerk weet (in tegenstelling tot bijvoorbeeld GSM) niet waar de gebruikers zijn, en zelfs niet of ze het bericht wel ontvangen hebben.

Er zijn verschillende oproepsystemen, in het kadertje staat een opsomming.

KPN biedt semafoons aan in drie types. De Tone-Only semafoons kunnen op vier verschillende manieren piepen en hebben geen display. Numerieke semafoons kunnen een bericht van veertien cijfers doorgeven, en tekstsemafoons een bericht van maximaal tachtig tekens. Met abonnement heten de apparaten semafoon of informer (voor tekst), zonder abonnement noemt de PTT het apparaat meestal een buzzer. KPN heeft meerdere frequenties in gebruik en afhankelijk van de gekozen abonnementsvorm is de pieper in Nederland of in de hele Benelux bereikbaar. De KPN semafoons gebruiken het POCSAG protocol.

Callmax biedt ruwweg dezelfde diensten als KPN. Het bedrijf noemt hun piepers maxers en het heeft geen Tone-Only maxers. De abonnee kan er naar wens (en tegen meerprijs) automatisch z'n e-mail op ontvangen, er zijn langere tekstberichten mogelijk (tot 240 tekens), en de abonnee kan ook berichten ontvangen in Groot-Brittannië, Zwitserland, Frankrijk, Duitsland en Italië, maar moet dan wel eerst via een telefoontje aangeven in welk land hij zich bevindt. Een abonnee kan zich ook aanmelden voor verschillende aanvullende informatiediensten: sportuitslagen, weerberichten, beurskoersen en vergelijkbare zaken kunnen automatisch op de maxer worden ontvangen. Er zijn zelfs hele goedkope maxers uitgegeven waarop de gebruiker reclame ontvangt die niet uitgezet kan worden. Pas op: ook al heeft de maxer geen abonnement, de verkoper wil om marketingredenen nog steeds heel graag weten wie je bent. Zorg dus voor een enigzins deugdelijke valse identiteit als je zo'n apparaat aanschaft. Heb je geen zin om over je identieit te jokken, dan kun je het beste een buzzer kopen bij de primafoon van KPN telecom. Ook de maxers gebruiken het POCSAG protocol om het bericht via de radio aan het apparaat te versturen.

De Seiko Messagewatch is een vreemde eend in de bijt: de pieper zit in een horloge ingebouwd, het gebruikte protocol is geen POCSAG. Het signaal wordt in een zogenaamd sub-carrier signaal meegezonden met de radio omroepsignalen. Ook hier kan de gebruiker kiezen uit allerlei abonnementen en aanvullende informatiediensten. De Message-watches hebben geen eigen telefoonnummer: de oproeper belt een 06-nummer en toetst pas daarna in het menu het nummer van de Messagewatch in. De horloges doen het alleen in Nederland, en dan nog heeft het netwerk nogal wat "witte plekken" waar het omroep-radiosignaal te zwak is.

ERMES is de naam van het radio-protocol dat gebruikt wordt voor het gelijknamige netwerk van oproepsystemen dat vooral in een groot aantal Europese landen in opkomst is. ERMES kan gebruik maken van zestien kanalen tussen de 169.4 en de 169.8 MHz. In de praktijk gebruikt elk land maar een klein aantal van deze kanalen. Zodra een gebruiker de grens over gaat zoekt het systeem zelf naar een signaal op een nieuwe frequentie. Door de hoge snelheid kunnen veel langere berichten worden verzonden.

Iridium pagers maken gebruik van het satellietnetwerk dat ook gebruikt wordt voor de Iridium satelliet-telefoons. De pagers zijn volgens de documentatie echter alleen ontvangers: het netwerk weet dus niet waar ze zijn. De pagers werken echt overal ter wereld, maar zijn, weer volgens de eigen Iridium-documentatie, in grote gebouwen onbetrouwbaar. We hebben zelf nog niet met Iridium telefoons of pagers gespeeld.

Afluisteren

In de ether wordt bij elke oproep uitgezonden voor wie het bericht bestemd is en wat er in staat. Deze uitzendingen zijn in klare taal: iedereen kan meeluisteren. Voor het meest gebruikte protocol POCSAG zijn gratis programma's beschikbaar, waarmee je de berichten met een simpele ontvanger en een computer zichtbaar kunt maken. Er zijn programma's die zelfs de informatie van drie kanalen tegelijk zichtbaar kunnen maken. Een gemodificeerde semafoon -openschroeven en rechtstreeks aan de computer koppelen- geeft betere resultaten dan een radioscanner. De berichten komen dan immers digitaal binnen. Zo'n koppeling tot stand brengen vergt echter wel enige technische kennis.

Gebruikte Frequenties:
154.9875 Nederland Nationaal 1
159.9900 Nederland Nationaal 2
164.3500 Semafoon Benelux
172.4500 PTT
460.9125 Callmax
466.0750 Callmax Internationaal/Euromessage

POCSAG-Semafoons hebben een RIC, wat staat voor Receiver Identification Code, oftewel een uniek serienummer. Als iemand jouw semafoonnummer belt, en een bericht achterlaat zoekt de computer van de PTT het RIC nummer op dat bij jouw semafoon hoort, en plakt die twee samen in een bericht. Als er een aantal berichten bij de centrale is binnengekomen maakt hij er een pakket van en stuurt al deze oproepen via sterke zenders door de ether.

Wie semafoonverkeer afluistert ziet op z'n computerscherm dingen voorbijkomen als :
Bericht voor RIC 0132575: Ik hou van je Lot ! (Dit is een tekstbericht)
Bericht voor RIC 0850625: 4491600
Bericht voor RIC 0160210: 8836399

Alle semafoons binnen het netwerk ontvangen deze berichten, maar alleen de semafoon met RIC 0850625 zal gaan piepen en het bericht (4491600) in zijn schermpje laten zien. (NB: De meeste semafoons zijn bedoeld voor nummerberichten ; eigenaar en gebruikers komen van te voren dmv een codelijstje overeen welke betekenis aan de getallen wordt toebedeeld, 4491600 kan dus ook "Lot ik hou van jou !" betekenen.) Met de gratis meekijk-software kun je dagelijks duizenden van dit soort berichten voorbij zien komen. Deze software kun je vinden door het woord POCSAG in te typen op een search engine op Internet of door te kijken op de website die bij dit boek hoort En met een beetje inspanning kun je alle kanalen loggen, en zo geen semafoonbericht in heel Nederland meer overslaan. Daarna zou je op die log interessante patroonherkennings software los kunnen laten, en op je gemak eens kijken wie met wie berichten uitwisselt. Met de huidige wetgeving is een en ander overigens niet geheel legaal: je verricht waarschijnlijk een zogenaamde "bijzondere inspanning" in de zin van de Wet Computercriminaliteit (139c WvS). Maar als een beetje leek met een computer en wat geduld dit al voor elkaar kan krijgen, dan spreekt het voor zich dat opsporings- en inlichtingendiensten al jaren over POCSAG-software beschikken. Om het RIC bij een semafoonnummer te vinden kun je iemand als bericht een nietszeggend bericht sturen (bijvoorbeeld 8495). De persoon in kwestie zal het nummer dat op zijn schermpje verschijnt niet kunnen plaatsen, en zijn of haar schouders ophalen. Jij ziet echter op je log 1412345 : 8495 voorbijkomen , en weet nu dat de RIC 1412345 is. Voor buzzers hebben ze het nog veel makkelijker gemaakt: er is een rekensommetje om bij het telefoonnummer de RIC uit te rekenen (en andersom natuurlijk). Voor buzzers in de 0659xxxxxx serie is dat : tel 8402000 bij de RIC op, en je hebt het semafoonnummer. Dus RIC 1412345 geeft telefoonnummer 065 9814345. Net als bij mobiele telefoons geldt voor piepers dat anonimiteit betrekkelijk is. Alle oproepen naar een bepaalde pieper worden (compleet met het nummer waarvandaan gebeld is!) opgeslagen en zijn met elkaar in verband te brengen.Bel dus nooit vanuit je eigen huis, noch vanuit een plek waarvan de afluisteraar zeker weet dat jij er op dat moment was, en zorg ervoor dat de mensen met wie je in contact staat dat ook niet doen. Anders is je anoniemiteit gecompromitteerd.

Gecodeerde berichten

Semafoons zijn te gebruiken voor low-tech veilige en anonieme communicatie. Dit vergt echter enige discipline.
Hieronder beschrijven we een manier om numerieke berichten aan een semafoon zo te coderen dat niemand ze meer kan ontcijferen. Dit kun je doen met zogenaamde One Time Pads. One Time Pad is een codeermethode die gebruik maakt van willekeurig gekozen sleutels die eenmalig gebruikt worden. Voor dit type versleuteling gelden drie regels : de sleutel moet willekeurig (random) zijn, de sleutel mag slechts één maal gebruikt worden en de sleutel is net zo lang als het bericht. Als je het bericht bij de willekeurige sleutel optelt zal de uitkomst ook willekeurig zijn, en dus niet te kraken voor de onderschepper.

Een voorbeeld van zo'n versleuteling:
(bij de optelling worden steeds de losse cijfers bij elkaar opgeteld. Het eerste cijfer van het bericht wordt dus bij het eerste cijfer van de sleutel opgeteld en dat levert het eerste getal van het gecodeerde bericht op)
Let op: Als je bij de optelling boven de 10 uitkomt moet je de 1 weglaten
(5 + 7 = 12 , dus 2)

2 8 0 5 1 9 0 0 2 7 Bericht
7 8 3 6 3 9 9 1 6 3 Sleutel +
-------------------------------
9 6 3 1 4 8 9 1 8 0 Dit is het gecodeerde bericht, dat je probleemloos door de ether kunt sturen.  Degene die het bericht ontvangt trekt de sleutel van het bericht af :

9 6 3 1 4 8 9 1 8 0 Code bericht
7 8 3 6 3 9 9 1 6 3 Sleutel -
----------------------------------
2 8 0 5 1 9 0 0 2 7 Oorspronkelijke bericht

Let op: Als het getal in het codebericht kleiner is dan het getal in de sleutel moet je er een 1 voor denken (8 - 9 = 18 -9) Je ziet dat het decoderen iets moeilijker is dan het coderen. Je moet immers nadenken of je het bericht niet per ongeluk van de sleutel aftrekt in plaats van andersom. Om dit makkelijker te maken zou je voor elke codeersleutel een bijpassende decodeersleutel op kunnen schrijven. Het programma OTP (One Time Pad), dat ondermeer op onze website staat, maakt automatisch twee lijstjes met codeer- en decodeersleutels aan. De volgorde van de sleutels op beide lijstjes is precies omgekeerd. Doordat beide partijen bovenaan hun lijst beginnen met coderen en onderaan met decoderen werken ze naar elkaar toe. Als het lijstje bijna op is komen de partijen bij elkaar en printen ze een nieuw lijstje. Door deze procedure voorkom je dat dezelfde sleutel twee maal gebruikt zou worden als een van beide partijen een bericht mist. Bij het gebruik van One Time Pads is het belangrijk om te onthouden dat deze manier van coderen absoluut niet meer veilig is als een sleutel twee keer wordt gebruikt (daarom is het ook een one time pad!). Elke gebruikte sleutel, en het bijbehorende gecodeerde of gedecodeerde bericht, wordt zo snel mogelijk van het lijstje afgeknipt en opgegeten of anderszins vernietigd. Wie ondanks de broncode het programma OTP niet vertrouwt, kan dobbelstenen gebruiken. Wel moet je dan voor elk te verzenden bericht van tevoren veertien maal de dobbelsteen gooien. Probeer niet zelf willekeurige getallen te verzinnen. De mens is erg slecht in de absolute willekeur die hiervoor nodig is. Maak de berichten altijd 14 cijfers (de maximale lengte bij numerieke semafoons), om verkeers analyse moeilijker te maken. Een bericht van 4 cijfers is in de regel minder belangrijk dan een bericht van 12 cijfers. Vul je bericht dus altijd op met nullen. Een nul codeert makkelijk, je hoeft immers niks op te tellen. Naast de One Time Pad moeten de partijen die met elkaar communiceren ook een codeboek afspreken. Dit is het patroon waarin de berichten zijn opgesteld. Een patroon zou kunnen zijn: 0 HH XXXXXXXXX Waarbij de eerste nul dient om aan te geven dat het bericht goed is overgekomen. Dan volgt een uur van 00 tot 23 en een telefoonnummer (zonder nul) dat gebeld moet worden. Als beide partijen gebruik maken van steeds wisselende telefoons en er geen patroon in hun keuze van deze telefoons te ontdekken is wordt het heel erg moeilijk om hun communicatie nog af te luisteren. Wie te lui is om een codeboek te maken kan op zoek naar het boekje 'Buzzer tolk' (isbn 90 557 6062 5). Daarin staat een techniek om bijna alle denkbare boodschappen in een paar cijfers te proppen, het boek bevat ook een zeer uitgebriede woordenlijst.

Klonen

Er bestaat speciale software om de RIC's van semafoons te wijzigen. Daarvoor moet je een paar draadjes van de printerpoort tegen speciale contactjes in het batterijvakje van de semafoon aanhouden. Dit is niet voor alle semafoons mogelijk: de software die wij kennen doet alleen Motorola semafoons (dat is wel het populairste merk), en dan alleen als de semafoons niet bij het programmeren met een wachtwoord beveiligd zijn. In Nederland zijn we nog geen semafoons tegen gekomen die door de telecommunicatie diensten met een wachtwoord beveiligd zijn ; in het buitenland wel. Momenteel is er nog geen software die deze beveiliging kan omzeilen. Met deze techniek kun je dus met een hele groep mensen hetzelfde semafoonnummer delen door meerdere semafoons met hetzelfde RIC te programeren. Een oproep naar dit nummer laat dan bij iedereen de pieper afgaan. Om duidelijk te maken voor wie een bericht bestemd is moeten de eerste drie cijfers van je bericht nul zijn, waardoor je nog maar 11 cijfers over hebt om je informatie in te stoppen. 000 XXXXXXXXXXX De eerste drie cijfers van de code sleutel zijn nu identificatie code geworden. Je kijkt op de lijstjes van jouw contacten aan de juiste kant naar de drie begincijfers. Alleen als je deze cijfers ergens ziet staan is het bericht voor jou. Met een driecijferige begincode zal het in een van de duizend ontvangen berichten mis gaan: je denkt dat het bericht voor jou is, maar er komt volslagen onzin uit de rest van de decodeerberekening. Het is voor de afluisteraar heel moeilijk om met deze techniek uit te vinden wie er met wie communiceert, omdat er alleen maar 14 cijferige codes door de lucht gaan. Hoe meer verschillende mensen het groepsnummer delen, hoe moeilijker het voor de afluisteraar wordt om verbanden te ontdekken.

Eigenlijk kan een semafoon zelfs twee RICs bevatten. Zo wordt het bijvoorbeeld mogelijk om berichten te ontvangen voor jezelf en voor een grotere groep mensen waar je deel van uitmaakt. Het POCSAG protocol is zo opgebouwd dat de ontvangers zo weinig mogelijk stroom hoeven te gebruiken om de berichten die voor hen bestemd zijn uit de ether te plukken. In het geval van POCSAG is het zo opgelost dat de korte uitzendingen allemaal beginnen met een preamble. Na de preamble luistert elke pager maar naar 1/8 van de data. Welke 1/8 beluisterd wordt hangt af van de rest als de RIC door acht gedeeld wordt. Als een ontvanger twee RICs krijgt, moeten deze twee RICs dezelfde rest overhouden na deling door acht, zodat ze allebei in hetzelfde slot vallen. De software zorgt automatisch dat alleen twee passende RICs in een pieper geprogrammeerd kunnen worden.

Tempest

Wat is Tempest?

Elektrische apparaten, van keukenmachine tot zaktelefoon, stralen onbedoelde elektromagnetische straling uit. Vaak is deze straling alleen maar hinderlijk, omdat hij bijvoorbeeld de radio-ontvangst van je favoriete zender stoort. Maar in deze straling zit ook informatie verborgen die niet voor anderen bedoeld is. Computers en andere dataverwerkende apparaten zijn extra gevoelig op dit gebied, omdat de combinatie van de gebruikte signalen ( square waves ) waarmee computeronderdelen met elkaar communiceren en de hoge frequenties (tot honderden MHz) waarop dit plaatsvindt een buitengewoon rijk spectrum aan onbedoelde signalen oplevert, verdeeld over een groot deel van het elektromagnetische spectrum. Daardoor is het moeilijk deze apparatuur af te schermen, omdat maatregelen die een bepaald deel van het spectrum beveiligen vaak niet werken bij andere frequenties. TEMPEST is een codewoord van de Amerikaanse regering voor een aantal standaarden waaraan apparatuur moet voldoen om deze onbedoelde signalen te beperken. In de praktijk wordt het woord echter ook gebruikt als algehele omschrijving van diverse methodes om te spioneren met behulp van elektromagnetische 'lekstraling'.

Geschiedenis

Vanaf de jaren vijftig werd het bij overheden duidelijk dat lekstraling ( emanations ) opgevangen en gereconstrueerd kon worden. Sinds die tijd werden er twee dingen steeds belangrijker: Voorkomen dat deze straling kon worden opgevangen door de vijand, en zelf proberen om de straling van vijandelijke computers op te vangen. Beroemd is het voorbeeld van Peter Wright in het boek Spycatcher , waarin beschreven wordt hoe de Engelse geheime dienst MI5 in 1960 zijn toevlucht nam tot Tempest-methoden om de Franse diplomatieke codeerapparatuur te omzeilen. Het was niet gelukt om de codering zelf te breken, en Engeland wilde erg graag weten hoe De Gaulle dacht over het toelaten van Engeland tot de EEG. Het gecodeerde signaal bleek een uiterst zwakke stoorcomponent te bevatten, waarin in klare taal de geheime boodschap naar buiten lekte. Vandaag de dag gebruiken overheden peperdure metalen afschermingen van computers, ruimtes of zelfs hele gebouwen. Zelfs binnen afgeschermde omgevingen wordt het "rood/zwart" scheidingsprincipe gebruikt, waarin de "rode" gevoelige apparatuur zoals computerterminals door filters en schermen wordt gescheiden van de "zwarte" delen zoals modems, die in verbinding met de buitenwereld staan. Tempest is altijd met een waas van geheimzinnigheid omgeven geweest. In Duitsland bijvoorbeeld is zelfs de naam van de beveiligingsstandaard voor diplomatieke computers een staatsgeheim. Toch is er in de loop der jaren het nodige bekend geworden. Voor een groter publiek werd het probleem van lekstraling pas bekend door een artikel uit 1985 van Wim van Eck. Hij demonstreerde daarin dat een (computer)beeldscherm op afstand kon worden afgeluisterd door gebruik te maken van goedkope apparatuur - een TV waarvan de synchronisatiepuls werd vervangen door handmatiger regelaars. Later werd duidelijk dat niet alleen een beeldscherm straling lekt: ook de signalen van een RS-232 kabel (modemkabel) kunnen worden afgeluisterd. Tevens kunnen signalen van de ene naar de andere kabel "overspringen": in een test kon data die over een netwerk verzonden werd gereconstrueerd worden vanuit een telefoonkabel, als deze telefoonkabel twee meter parallel liep aan de netwerkkabel. Maar ook voedings- en aardedraden van de stroomaansluiting kunnen als "antenne" functioneren en ongewenste signalen transporteren. Een van de luidruchtigste signalen bij computergebruik is die welke afkomstig is van het toetsenbord. Zowel via de toetsenbordkabel, als zeker ook van de controller (een klein stukje elektronica dat bepaalt welke toets wordt ingedrukt en vervolgens deze informatie naar de computer stuurt). Het afluisteren van deze signalen is al in de praktijk gedaan, is redelijk eenvoudig en goedkoop, en derhalve een groot risico.

Hoe bedreigend is het?

Op het eerste gezicht lijkt Tempest een droom voor snuffelaars en een nachtmerrie voor mensen die hun privacy waarderen: experts gaan er van uit dat inlichtingendiensten signalen tot op een kilometer afstand kunnen opvangen en ontcijferen, en zeer handige, enigszins kapitaalkrachtige amateurs tot op driehonderd meter. Daarvoor hoeven zij niet in te breken, geen sporen na te laten en veilig uit het zicht blijven. Maar zo eenvoudig als dit klinkt is het gelukkig ook niet. Tempest-ontvangers zijn duur en gevoelig, en werken lang niet altijd. Door de geheimzinnigheid waarmee alle overheden Tempest omgeven, is het lastig een concrete schatting te geven hoe vaak dit soort methoden worden ingezet. Er zijn een aantal aanwijzingen om serieus met Tempest-aanvallen rekening te houden:

  • De Tempest-industrie zet alleen in de VS per jaar al meer dan een miljard dollar om aan Tempest-proof apparatuur. Deze zijn verplicht voor veel overheidsinstellingen.
  • Diverse militaire inlichtingendiensten berichten telkens weer dat vreemde mogendheden permanent proberen via Tempest-aanvallen informatie te vergaren.
  • Ook voor het bedrijfsleven in strategisch belangrijke sectoren als de luchtvaart wordt Tempest-apparatuur aangeraden, om bedrijfsspionage tegen te gaan.

Maar bedenk ook het volgende:

  • De meeste werkende tests zijn gedaan onder laboratorium-omstandigheden, met optimale omstandigheden.
  • De apparatuur is erg duur, en je hebt veel tijd en geschoold personeel nodig om resultaten te krijgen. Het is geen kwestie van "inschakelen en meelezen".

Zoals met de meeste veiligheidsrisico's blijft het een inschatting: hoeveel tijd, geld en moeite is de informatie die ik geheim wil houden de tegenstander waard? En zijn er andere methoden waarmee de tegenstander aan deze informatie kan komen? Vaak is het sneller en goedkoper een ouderwetse infiltrant in een organisatie te sluizen, of een onzorgvuldig gekozen password te breken, dan een Tempest-aanval uit te voeren.....

Fabels en folklore

Over Tempest doen veel fabels de ronde:
- Voor een paar honderd gulden kun je een Tempest ontvanger in elkaar knutselen. Misschien hooguit voor een ouderwetse terminal, maar niet voor een moderne monitor. En zeker niet om serieus op afstand te meten, in de wolk van elektromagnetische 'smog' die tegenwoordig over een stad hangt.
- Een LCD beeldscherm kan niet afgeluisterd worden. Fout. De gebruikte techniek verlaagt het risico wel wat, maar niet helemaal. Bovendien wordt ook een LCD-scherm aangesproken door een videokaart met kabel, die alle informatie bevat en uitstraalt. Juist bepaalde laptops zijn bijzonder "luidruchtig", doordat er veel kabels op een beperkte ruimte en zonder degelijk metalen omhulsel naast elkaar liggen. Bovendien kunnen moderne kleuren-LCD's vaak beter worden afgeluisterd dan gewone monitoren, omdat elke transistor (elk "pixel" of puntje op het beeldscherm) apart wordt aangestuurd. Daarmee vervallen een hoop van de synchronisatieproblemen die ontstaan bij het afluisteren van gewone monitoren, omdat die per horizontale lijn worden aangestuurd. Helaas hebben wij hier in deel 1 niet voldoende rekening mee gehouden, en daardoor zelf meegedaan aan de verspreiding van de mythe....
- TEMPEST is een afkorting. Alhoewel er later verscheidene pogingen gedaan zijn er een zinvolle afkorting van te maken, zegt de officiële specificatie uitdrukkelijk dat het gewoon een codewoord is.

Soft Tempest

Een zeer interessant onderzoek werd in 1998 gepubliceerd door Markus Kuhn en Ross Anderson. Zij onderzochten of het mogelijk is de straling van beeldschermen en andere computeronderdelen via software te manipuleren. Het blijkt dat niet alle informatie op een beeldscherm even duidelijk af te luisteren is. Bepaalde lettertypes (fonts) geven betere resultaten dan andere, vooral als de afluisteraar weet welke fonts er gebruikt worden. Deze signalen zijn dan beter te herkennen temidden van de elektromagnetische "ruis". Maar informatie kan zelfs bewust worden versterkt door een "Tempest virus" binnen te sluizen. In een kleurenplaatje kan bijvoorbeeld een voor de gebruiker niet zichtbaar zwart-wit beeld worden verstopt, dat goed af te luisteren is. Zo zou bijvoorbeeld in het logo of de titelbalk van een programma het serienummer verwerkt kunnen worden, om software-piraterij op te sporen. De afluisterbaarheid van dergelijke verstopte boodschappen ligt vele malen hoger dan die van normale informatie, volgens de auteurs voldoende om deze signalen vanuit een mobiele opsporingswagen op te vangen. Dezelfde truc is ook uit te halen door bijvoorbeeld de stuursignalen voor de harde schijf te manipuleren, of door de processor op regelmatige intervallen bepaalde instructies te laten uitvoeren. Hierdoor ontstaat er een herkenbaar patroon in de brei van elektronische ruis die uitgezonden wordt. Zo'n patroon is veel makkelijker op te sporen, en door kleine variaties in dit patroon aan te brengen kun je informatie zoals passwords, serienummers en dergelijke hiermee 'verzenden'. In alle gevallen levert het feit dat de afluisteraars weten waarnaar zij moeten zoeken een veel hogere herkenningsgraad op. Maar software-manipulatie is ook te gebruiken als beveiliging: de auteurs hebben speciale fonts ontwikkeld die juist buitengewoon moeilijk af te luisteren zijn. Dit kan door de pixel-frequentie van de fonts af te vlakken. De letters zijn voor de gebruiker enigszins wazig, maar redelijk goed te lezen. Voor de afluisteraar is het verschil dramatisch: de tekst, die in een 'normaal' font goed zichtbaar is, verdwijnt geheel en al. Hier een link naar waar een testversie van deze fonts te downloaden zijn.

Andere varianten

Er bestaan nog diverse varianten op Tempest. NONSTOP is het codewoord voor lekstraling via radio-apparatuur zoals mobiele telefoons, draadloze telefoons, draadloze netwerken, pagers en mobilofoons die in de buurt van apparatuur worden gebruikt met gevoelige informatie. Er bestaan specifieke richtlijnen over het uitzetten van deze apparaten of het aanhouden van een minimale afstand tot de computer of printer. HIJACK is het codewoord voor spionage via digitale overdracht, in plaats van elektromagnetische straling. Hiervoor moet de tegenstander toegang hebben tot communicatielijnen (ook draadloze). Het schijnt erg duur en lastig te wezen. Interessant is ook een voorschrift van het Amerikaanse Department of Energy. Alle infrarood-poorten op laptops en dergelijke die gevoelige informatie verwerken moeten uitgeschakeld worden, hetzij door de poort met een goedgekeurd veiligheidszegel af te plakken hetzij door de infrarood-zender fysiek te verwijderen. Dit is voornamelijk bedoeld om er zeker van te zijn dat gebruikers niet per ongeluk deze infrarood-poorten aan hebben staan. Infrarood licht is namelijk mijlenver te zien en op te vangen.

Tegenmaatregelen

Het is vrijwel niet mogelijk om tegen redelijke kosten een vast opgestelde computer geheel en al tegen Tempest-aanvallen te beschermen. De kosten-baten analyse zal voor de president van een groot land anders uitvallen dan voor anderen, maar je zult in alle gevallen uit moeten gaan van een realistische inschatting van de risico's, en hoeveel tijd, geld en moeite je wilt investeren om deze risico's tegen te gaan. Een Tempest-beveiligde computer is minstens dubbel zo duur als een gewone en bovendien voor normale stervelingen niet te koop. De beste verdediging bestaat uit het mobiel houden van gevoelige informatie. Wil je zeer explosieve teksten lezen of schrijven, dan kun je je het best met je laptop of Palmpilot terugtrekken op de wc van een openbare ruimte of café. Dat maakt elektromagnetisch afluisteren vrijwel onmogelijk, omdat een Tempest-ontvanger nu eenmaal niet in een aktenkoffertje past en ook niet zo snel werkend in een auto voor de deur is op te stellen. Wel oppassen voor de tegenwoordig op de raarste plekken geïnstalleerde beveiligingscamera's natuurlijk!

Werk je op een vaste plek, dan is het nog steeds mogelijk om de risico's te beperken:

  • Gebruik de al eerder genoemde anti-tempest fonts
  • Laat de metalen behuizing van de computer zoveel mogelijk intact. Sluit bijvoorbeeld ongebruikte uitbreidings-poorten met metaal af.
  • Gebruik goede, geaarde kabels naar de printer, monitor, modem etc. Hou deze kabels zo kort mogelijk, en laat ze zo min mogelijk parallel aan telefoonkabels, netwerkkabels of elektriciteitsdraden lopen.

In oplopende graad van paranoia kun je ook nog het volgende proberen. Maar bedenk: volledige veiligheid is er niet en er geldt een soort wet van afnemende effectiviteit: je moet steeds meer investeren om steeds minder "extra" veiligheid te krijgen. Meer iets voor de hobbyisten dus.

  • Bouw filters tegen ElectroMagnetic Interference (EMI) in in de voedingskabels. Deze zijn verkrijgbaar bij de betere elektronicazaken.
  • Vooral de voedingskabels naar de computer en monitor zijn hierbij belangrijk.
  • Er zijn ook speciale EMI filters voor de telefoonlijn.
  • Je kunt kabels ook om een kern van ferriet wikkelen. Ferriet 'absorbeert' lekstraling door deze in warmte om te zetten. Denk hierbij ook aan de toetsenbord-, muis- en telefoonkabel.
  • Idealiter gebruik je de computer in een kooi van Faraday: een gesloten metalen ruimte. Maar dat ideaal is niet makkelijk te halen: stroom, telefoon en andere kabels moeten naar buiten, jijzelf moet binnen kunnen komen en lucht om te ademen is ook prettig. Hierdoor zal de kooi niet perfect zijn en onverwachte lekstralingen naar buiten kunnen laten. We horen graag over gelukte pogingen hier een praktische en betaalbare oplossing voor te vinden.....
  • Cryptologie

    "IDEA's key lenght is 128 bits - over twice as long as DES. Assuming that a brute-force attack is the most efficient, it would require 2 128 (10 38 ) encryptions to recover the key. Design a chip that can test a billion keys per second and throw a billion of them at the problem, and it will still take 10 13 years ­ that's longer than the age of the universe. An array of 10 24 such chips can find the key in a day, but there aren't enough silicon atoms in the universe to build such a machine. Now we're getting somewhere ­ although I'd keep my eye on the dark matter debate." (Bruce Schneier, Applied Cryptography , pp. 323)

    Zoals je hebt kunnen lezen in hoofdstuk drie, wordt er met behulp van Echelon en aanverwante systemen, legaal of illegaal, voortdurend afgeluisterd. Aangezien het moeilijk is te voorkomen dat je berichten onderschept worden, ligt het voorde hand om te proberen de uitwisseling onbegrijpelijk te maken. Koningen, spionnen en andere boeven zijn al eeuwen vertrouwd met die gedachte. Tegenwoordig hebben ook burgers belangstelling voor deze zaken, overigens tot ergernis van bovengenoemde categorieën. Hoewel het versleutelen van data zoals gezegd al eeuwen oud is, zijn de meer geavanceerde systemen met gebruikmaking van computers natuurlijk veel minder oud. Met name tijdens de Koude Oorlog werd veel tijd en geld gestoken in de ontwikkeling van digitale cryptografische systemen en tot midden jaren zeventig had de National Security Agency een monopolie op de versleutelingstechnologie. Dit veranderde in 1976 toen Whitfield Diffie en Martin E. Hellman naar buiten kwamen met hun public-key cryptography . Sindsdien maakten ook de academische en industriële werelden gebruik van deze technologie en dit is met het steeds wijder verspreidende Internet alleen maar toegenomen.

    In dit hoofdstuk gaan we in op verschillende soorten van cryptografie. Cryptografie is "de kunst en wetenschap" der versleuteling van data. Hiertegenover staat crypto-analyse, die zich juist richt op het breken van cryptografie; de twee samen vallen onder de term cryptologie. Anders dan een aantal jaar geleden, wordt er steeds meer bekend over de werking en sterkte van crypto-algoritmen. Door de jaren heen zijn er vele crypto-algoritmen bedacht, maar slechts enkele daarvan hebben de tand des tijds en de inventiviteit van codebrekers kunnen doorstaan. Je kunt er echter nooit helemaal zeker van zijn dat bepaalde algoritmen niet te kraken zijn:

    "What algorithms can the NSA break? For the majority of us, there's really no way of knowing. If you are arrested with a DES-encrypted harddrive, the FBI is unlikely to introduce the decrypted plaintext at your trial; the fact that they can break an algorithm is often a bigger secret than any information that is recovered." (Bruce Schneier, Applied Cryptography , pp. 215)

    Toch tonen sommige wiskundige berekeningen aan dat je van een aantal crypto-algoritmen mag aannemen dat ze voorlopig veilig zijn. Zie bijvoorbeeld de vergelijking van Schneier aan het begin van dit hoofdstuk: de NSA kan nog zo veel willen, als het materiaal in het hele universum niet beschikbaar is, schiet je weinig op

    Open source

    Als je crypto-software gaat gebruiken is het van het grootste belang dat deze door veel mensen is onderzocht op eventuele fouten danwel zwakheden. Het gebruik van gloednieuwe algoritmen wordt afgeraden, omdat deze in de meeste gevallen toch niet zo briljant en veilig blijken te zijn als de programmeur gehoopt had. Het onderzoeken van software kan alleen als de broncode ( source code) van de gebruikte software publiekelijk beschikbaar is. Dit noemen we open source . De tegenhanger daarvan is de black box software: als je een softwarepakket gebruikt waarvan alleen de maker weet hoe het werkt, of als het slechts getest is door een handjevol "specialisten" dan is er sprake van een zogenaamde nep-veiligheid. De meeste bedrijven willen hun technische toepassingen graag geheim houden, maar juist bij cryptografie geldt dat de sterkte ervan afhankelijk is van een uitgebreide en veelvuldige controle. Zoals Lucky Green van de Cypherpunks het vorig jaar mooi verwoordde: "Security obtained by obscurity is no security at all." Dit bewees hij door met twee anderen een geheim gehouden algoritme, dat werd gebruikt voor de GSM smartcards, te kraken. Gebruik dus voor je crypto-toepassingen alleen open source software.

    Symmetrische en asymmetrische systemen

    Er zijn veel verschillende soorten technieken om informatie te versleutelen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen symmetrische en asymmetrische systemen, en deze hebben zelf ook weer verschillende categorieën. Het verschil tussen symmetrische systemen en asymmetrische systemen is dat bij symmetrische systemen slechts één sleutel wordt gebruikt en bij asymmetrische systemen een sleutelpaar. Bij asymmetrische systemen wordt door beide partijen een sleutel afgesproken waarmee het bericht zowel versleuteld als ontsleuteld kan worden. Een bijkomende narigheid hierbij is natuurlijk dat je dan eerst een veilig kanaal moet vinden om die sleutel af te spreken, en dat kan moeilijkheden opleveren.

    Asymmetrische systemen hebben twee functies: het versleutelen van data en de verificatie van de identiteit van de zender. Asymmetrische systemen maken gebruik van een sleutelpaar dat wiskundig gelinkt is: een sleutel die de data alleen versleutelt, en de tweede die geschikt is voor de ontsleuteling. Omdat alleen de tweede sleutel de klare tekst tevoorschijn kan krijgen, mag iedereen over de eerste sleutel (de public key) beschikken. Logischerwijs wordt de tweede sleutel de secret key genoemd: alleen degene voor wie het bericht bestemd is, zou in het bezit moeten zijn van die sleutel. Overigens worden symmetrische systemen ook secret key cryptography genoemd, en asymmetrische public key cryptography.

    Sleutels

    De veiligheid van een cryptografisch systeem hangt, behalve van het gebruik van een goed algoritme, ook af van de kwaliteit en lengte van de sleutel. Ten eerste moet de sleutel natuurlijk zo willekeurig (random) mogelijk zijn: hoe meer onvoorspelbare elementen tijdens het genereren, hoe beter. De lengte van een sleutel is afhankelijk van het gebruikte algoritme. Voor symmetrische systemen geldt dat de moeilijkheid om de sleutel te kraken met iedere bit exponentieel toeneemt. Voor asymmetrische systemen geldt dit niet: iedere toegevoegde bit zorgt hier voor minder dan een kwadratische toename van mogelijkheden. Het onderstaande tabelletje geeft ongeveer gelijkwaardige sleutellengtes aan voor symmetrische en asymmetrische systemen:

    Symmetric Key Lenght Public-key Key Lenght
    56 bits 348 bits
    64 bits 512 bits
    80 bits 768 bits
    96 bits 1024 bits
    112 bits 1792 bits
    120 bits 2048 bits
    128 bits 2304 bits

    Wachtwoorden

    Goed. Je hebt sterke crypto-software tot je beschikking. Deze software gebruikt bijvoorbeeld een 128 bits sleutel. Hoe komt de computer dan aan 128 random bits om de boel mee te versleutelen? Simpel: het programma vraagt je om een wachtwoord. Dit wachtwoord wordt digitaal "uit elkaar getrokken" en levert de 128 bits op. Als de onderschepper door heeft dat de software cryptografisch goed in elkaar zit, rest hem weinig anders dan jouw wachtwoord proberen te raden. Ook korte, zwakke wachtwoorden zoals mama of Charlotte leveren 128 bits op, terwijl deze wachtwoorden makkelijk te achterhalen zijn. De aanvaller zal niet alle mogelijke ascii-karakters proberen, maar eerder met behulp van een uitgebreide woorden- en namenlijst je wachtwoord proberen te raden ( Dictionary attack ).

    Je zou met de volgende zaken rekening moeten houden als je een wachtwoord (passphrase) maakt:

    Gebruik altijd zowel hoofd- als kleine letters, getallen, en symbolen als *, >, (, ", =
    Gebruik minimaal vijftien karakters, twintig is natuurlijk beter
    Maak opzettelijk spelfouten ( Sjarlottu )
    Gebruik meerdere talen door elkaar heen
    Gebruik nooit namen of data uit je persoonlijke leven, maar ook niet de geboortedatum van Elvis of citaten uit bekende boeken.

    Een goed wachtwoord zou een combinatie moeten zijn van willekeurige tekens, bijvoorbeeld *2 Groene muismatten zijn leuk. verandert dan in Green miepmiepMA2ten = leuck.

    Authenticiteit

    Afgezien van het behoud van je privacy wordt cryptografie ook gebruikt voor authenticiteit. Bij financiële toepassingen, wettelijke aangelegenheden of liefdesperikelen wil je vaak zeker weten dat het document dat je ontvangt ook daadwerkelijk van de vermelde afzender komt. Met behulp van asymmetrische systemen en hash-algoritmen kun je de afzender of de echtheid van het document verifiëren. Een digitale handtekening is een stuk informatie dat gebaseerd is op het document en de privé-sleutel van degene die tekent. Meestal wordt eerst een hash-functie toegepast op het te tekenen bericht: een hash-algoritme verdicht het bericht tot een digest message , een digitale vingerafdruk die gebruikt wordt om vervalsingen te detecteren. Nadat het bericht geconverteerd is tot een binaire vorm, wordt het opgedeeld in vaste blokken en wordt er een algoritme toegepast. De uitkomst is een vingerafdruk van altijd dezelfde lengte die voor ieder bericht eigen is. Een hash-functie is een one-way-function: de inverse is niet te berekenen. Verder is het rekenkundig gezien onmogelijk dat twee berichten dezelfde "hash" (knoeiboel) opleveren.

    Nu heb je dus een unieke vingerafdruk, die je vervolgens versleutelt met je privé-sleutel. Het bericht stuur je op en degene die het krijgt past dezelfde hash-functie op het bericht toe en ontsleutelt de message digest met jouw publieke sleutel. Als deze twee uitkomsten overeen komen, dan kan diegene er zeker van zijn dat het bericht inderdaad van jou afkomstig is en dat er onderweg niet mee geprutst is. Natuurlijk kun je het bericht ook nog eens versleutelen met de publieke sleutel van degene voor wie het bestemd is, zodat alleen hij of zij het bericht kan lezen. Bekende hash-functies zijn MD2, MD5 ( Message Digest Algorithms ) en SHA ( Secure Hash Algorithm ), waarvan SHA-1 een verbeterde versie is uit 1994. DSA ( Digital Signature Algorithm ) is een sterk algoritme dat alleen geschikt is voor digitale handtekeningen, en niet voor versleuteling van data zelf.

     

    Voorbeelden van symmetrische systemen

    Blokversleuteling

    Een blokversleuteling is een algoritme dat de klare tekst van een vastgestelde lengte verandert naar een blok versleutelde tekst van dezelfde lengte. Deze transformatie vindt plaats door gebruikmaking van een geheime sleutel, die ook omgekeerd kan worden toegepast zodat de boel weer leesbaar wordt. De vastgestelde lengte van het blok wordt bloklengte genoemd, en op dit moment is deze lengte voor de meeste blokversleutelingen 64 bits. De sleutels hebben meestal een lengte van 56, 128 of 256 bits. Hieronder volgt een aantal veelgebruikte algoritmen.

    DES

    DES staat voor Data Encryption Standard en sinds 1977 is dit de cryptografie-standaard in de Verenigde Staten. DEA ( Data Encryption Algorithm ) is de eigenlijke benaming voor dit algoritme, maar het wordt meestal DES genoemd. Inmiddels wordt al naar kandidaten voor de AES (Advanced Encryption Standard) gezocht, die DES binnen niet al te lange tijd moet gaan vervangen.

    In De Muren hebben Oren schreven we:
    "DES is een blokversleuteling ontworpen voor de versleuteling en ontsleuteling van blokken van, inderdaad, 64 bits. De sleutel is ook 64 bits lang, maar er worden maar 56 bits werkelijk gebruikt (de rest zijn pariteitsbits). Feitelijk bestaat het algoritme uit een opeenvolging van verschillende bewerkingen: permutaties en substituties veelal op basis van tabellen. Voor de te onderscheiden bewerkingen worden meestal verschillende sleutels gebruikt die afgeleid zijn uit de hoofdsleutel. De ontwerp-criteria (meestal de source-code genoemd) die ten grondslag liggen aan de verschillende stappen bij DES, zijn geheim. De werking is alleen vrijgegeven in de vorm van weinig overzichtelijke tabellen. Dat maakt dat moeilijk te achterhalen is door welke analytische of wiskundige functies de verschillende werkingsfasen bepaald worden. Crypto-analisten hebben natuurlijk wel allerlei pogingen gedaan DES te ontleden, maar zijn daarin alleen geslaagd voor afzonderlijke delen van het algoritme. Velen sluiten echter niet uit dat er een "achterdeurtje" in zit, dat het mogelijk maakt de klare tekst uit de versleutelde tekst te verkrijgen." ( De muren hebben oren , pp. 64) Vanwege de geringe sleutellengte van 56 bits zou DES makkelijk te kraken zijn, en inderdaad: dat is gebeurd. Geregeld worden er wedstrijden gehouden om te kijken hoe snel DES gekraakt kan worden ­ uiteraard buiten inlichtingendiensten en dergelijke om. In de afgelopen jaren koppelde de organisatie Distributed.net verschillende computers verspreid over de wereld aan elkaar om het rekenvermogen te verhogen. Twee jaar geleden, in 1997, kostte het vinden van een sleutel nog 250 dagen. In februari 1998 kostte het Distributed.net veertig dagen voordat zij DES gekraakt hadden. Voor de daaropvolgende wedstrijd had de Electronic Frontier Foundation (EFF) de zogenoemde DES-Cracker gebouwd: Deep Crack. Op zich waren de krachten van Deep Crack beperkt, aangezien EFF zelf een bescheiden budget had: slechts 250.000 dollar. Ondanks de niet-optimale middelen bleek het in juli 1998 mogelijk om slechts met Deep Crack DES-sleutels in minder dan drie dagen te vinden. Tijdens de laatste wedstrijd, in februari 1999, hebben Distributed.net en Deep Crack hun krachten gebundeld in een alliantie en kon een sleutel in 22 uur gevonden worden. Je kunt je voorstellen hoe lang bepaalde overheidsdiensten en andere vage instellingen al de beschikking hebben over apparatuur om de "Standaard" te kraken. Desalniettemin zijn velen ervan overtuigd dat DES wél een sterk algoritme is. Het algoritme is al bijna dertig jaar oud, en het is nooit iemand gelukt een wiskundige zwakte in het systeem aan te tonen. Daarom lijkt de enige zwakte de korte sleutellengte te zijn.

    3DES

    3DES, ook wel TripleDES genoemd, maakt gebruik van het originele DES algoritme. Maar in plaats van een 56 bits sleutel, worden twee of drie sleutels van elk 56 bits gebruikt. Bij DES-EEE3 worden de data drie keer versleuteld met drie verschillende sleutels (Encrypt-Encrypt-Encrypt). DES-EDE3 gebruikt ook drie verschillende sleutels, maar nu worden de data versleuteld met de eerste sleutel, ontsleuteld met de tweede (waar dan natuurlijk een enorme brei uit komt) en weer versleuteld met de derde (Encrypt-Decrypt-Encrypt). DES-EEE2 en DES-EDE2 doen hetzelfde als de hiervoorstaande, maar dan zijn de sleutels voor de eerste en derde operatie hetzelfde en worden dus twee sleutels gebruikt. In 3DES gaan we ervan uit dat er geen andere mogelijkheid is om DES te breken dan via grof geweld (brute force) en dan is de sterkte dus afhankelijk van de sleutellengte. De formule EDE2 heeft als effect dat de uiteindelijke data versleuteld zijn met een sleutel van ongeveer 112 effectieve bits. Dit is al een heel oude truc en vele wiskundigen hebben zich hierover gebogen, maar ook hier is het hun niet gelukt om zwakheden in het algoritme te ontdekken. Programma's die DES gebruiken zijn bij voorbaat kansloos door de korte sleutel, maar 3DES is wat ons betreft nog wel te vertrouwen.

    IDEA

    IDEA ­ International Data Encryption Algorithm ­ is relatief jong: het werd ontworpen in 1990 en aangepast en versterkt in 1991. De sleutel van IDEA heeft een vaste lengte van 128 bits en het algoritme zelf werkt met blokken van 64 bits. Het is snel, en naar onze mening is IDEA een nog betere keuze dan 3DES. Voor niet-commerciële toepassingen zoals ShareWare en FreeWare (gratis software) mag je het van de patenthouder (Ascom-Tech Ag) gewoon gebruiken zonder een licentie aan te vragen.

    CAST

    Er zijn al veel attacks geweest op CAST en tot dusver houdt dit algoritme goed stand: geen andere methode om het te breken dan brute force is bekend. CAST, dat met een vaste sleutellengte en twee blokken van 64 bits werkt, wordt steeds meer toegepast in software en is zelfs als kandidaat voor de AES voorgesteld. CAST is wel patent-afhankelijk.

    Blowfish

    Blowfish maakt ook gebruik van blokken van 64 bits. De sleutellengte is echter variabel. Het grote voordeel van Blowfish is dat er, anders dan bij de meeste andere algoritmen, helemaal geen patenten of copyrights op zitten. Iedereen mag het overal vrij gebruiken, ook in commerciële toepassingen. Blowfish lijkt een prima algoritme te zijn en als het programma je de keuze biedt tussen verschillende algoritmen, dan zou onze voorkeur uitgaan naar IDEA, Blowfish, 3DES; in die volgorde.

    Stroomversleuteling

    (Stream Cipher)
    Stroomversleuteling wordt ook wel One-Time-Path (OTP) genoemd. Terwijl de blokversleuteling zich richt op grote happen data, opereert een stroomversleuteling met veel kleine eenheden, meestal per bit. Verder is de uitkomst bij een blokversleuteling altijd gelijk als je dezelfde data met dezelfde sleutel gebruikt. Met stroomversleuteling verschilt dat juist. Iedere sleutel wordt ter plekke willekeurig of at random aangemaakt. Deze sleutel is even lang als het bericht zelf en wordt maar één keer gebruikt. De sterkte van de versleuteling is afhankelijk van de mate van willekeur: hoe meer onvoorspelbare elementen tijdens het genereren, hoe beter. Deze vorm van versleuteling kan heel sterk zijn, maar brengt wel een aantal nadelen met zich mee. Ten eerste kost het versleutelen van grote hoeveelheden data veel tijd. Verder moet iedere sleutel via een veilig kanaal uitgewisseld zijn. En als er ergens iets mis gaat en slechts een bitje verloren gaat, dan moet het hele versleutelingsproces opnieuw gebeuren.

    RC4

    RC4 is een veelgebruikte en snelle stream cipher. Het is ontworpen door Ron Rivest in 1987 en RC staat dan ook voor Ron's Code of Rivest Cipher. Pas in 1994 kwam de broncode vrij doordat iemand het anoniem postte op de Cypherpunks mailinglist. Sindsdien is het algoritme wijdverspreid geraakt en vele malen getest, hoewel RSA Data Security RC4 nog steeds als een bedrijfsgeheim ziet.

    Voorbeelden van asymmetrische systemen

    Diffie-Hellman en RSA

    Het Diffie-Hellman key agreement protocol veranderde de wereld van de cryptografie in 1976, zoals eerder gezegd, geheel. Met dit protocol kun je een geheime sleutel over een onveilig kanaal sturen zonder dat er van te voren via een veilig kanaal andere geheimen afgesproken moeten worden. Met die afgesproken sleutel kun je vervolgens data versleutelen. Voor het precieze algoritme, dat discrete logaritmen in een eindig veld gebruikt, verwijzen we je naar Applied Cryptography en andere bronnen. De uitwisseling van vertrouwelijke gegevens is wel kwetsbaar voor een man-in-the-middle attack: stel dat je met Bas een sleutel wilt afspreken en Carolien onderschept jouw bericht aan Bas. Carolien doet alsof ze Bas is en spreekt met jou de sleutel af. Intussen heeft ze ook contact met Bas en spreekt ook met hem een sleutel af. Nu gaan jij en Bas vrolijk aan het communiceren, terwijl Carolien alles nog veel vrolijker onderschept, leest, en eventueel aanpast. Pas in 1992 werd het Station-to-Station (STS) protocol ontwikkeld dat digitale handtekeningen en public-keycertificaten toevoegt aan het D/H algoritme. RSA is een public-key cryptosysteem dat zowel versleuteling als digitale handtekeningen biedt. Het is ontwikkeld door Ron Rivest, Adi Shamir, and Leonard Adleman 1977; RSA staat dan ook voor de eerste letter van hun achternamen. RSA is gebaseerd op het wiskundige gegeven dat het makkelijk is om twee grote priemgetallen (hier honderd tot tweehonderd decimalen of zelfs meer) met elkaar te vermenigvuldigen, maar dat het uitermate moeilijk is om uit het product de twee priemgetallen weer te onttrekken. RSA biedt ook de mogelijkheid tot authenticiteit. D/H en RSA zijn beide ruim twintig jaar oud en tot augustus 1999 is geen bekende attack succesvol geweest. Maar op 22 augustus 1999 heeft het Centrum voor Wiskunde en Informatica (CWI) in samenwerking met acht andere internationale organisaties een getal van 512 bits ('RSA-155' genoemd vanwege het aantal decimale cijfers) gefactoriseerd. Slechts zeven maanden hebben 300 computers staan rekenen, en verwacht wordt dat deze tijd snel terug gebracht kan worden naar een week of zelfs een dag. Tot dusverre liggen sleutels van 1024 bits en hoger echter nog volledig buiten handbereik. Zowel D/H als RSA worden in veel software toegepast, meestal in combinatie met block en/of stream ciphers. Dit werkt echter alleen tot 512 bits sleutels; sleutels van 1024 bits en hoger liggen nog volledig buiten handbereik. Zowel D/H als RSA worden in veel software toegepast, meestal in combinatie met block en/of stream ciphers.

    ECC

    Een ander crypto-systeem is Elliptic Curve Cryptosystem (ECC), uit de jaren tachtig. Ook hierbij worden de sleutelparen gegenereerd door de priemgetallen-truc. Dit heeft weinig extra voordelen ten opzichte van RSA. Maar ECC biedt nog een andere optie, en dat is het gebruik van discrete logaritmen in combinatie met een elliptische curve. Voordeel hiervan is dat de sleutellengte korter kan zijn dan bij normale asymmetrische systemen, terwijl de sleutel toch even sterk is. Het schijnt vrij makkelijk te zijn om de elliptische curve in te passen in al bestaande algoritmen die gebruik maken van discrete logaritmen, zoals DSA en D/H.

    Besluit

    Ten slotte moet je er altijd van bewust zijn dat het gebruik van slechte cryptografie erger is dan het gebruik van geen cryptografie. Vaak is ook het slechte gebruik van goede cryptografie de reden dat je geheim toch onthuld wordt. Bovendien zijn er verschillende manieren om versleutelde data te ontcijferen, en worden er voortdurend nieuwe, vaak onverwachte, manieren bedacht. Een voorbeeld hiervan is de zogenoemde Lunch-Break Attack: terwijl jij ergens zit te lunchen, sluipt er iemand je kantoortje in. Diegene scant je harde schijf op de mate van entropie (hoe hoger de entropie, hoe meer chaos er is). Omdat bijvoorbeeld jouw privé-sleutel zo willekeurig mogelijk is, heeft de plaats waar die sleutel op de harde schijf staat het hoogste gehalte van entropie. Als je geen snelle eter bent, heeft de insluiper jouw privé-sleutel zo gekopieerd zonder dat jij er erg in hebt. En natuurlijk hebben veel mensen vertrouwen in zaken waar ze geen vertrouwen in zouden moeten hebben. Voor de huis-tuin-en-keuken-gebruiker is het makkelijk om te geloven in argumenten als "Trust us, we know what we're doing". Dit staat ook bekend als Snake Oil . Verkopers zeggen vaak expert te zijn, of komen met excuses aan zoals "Ja maar, dit is bedrijfsgeheim" of "dan kunnen die enge hackers er mee aan de haal." "Nieuwe revolutionaire toepassingen" van bestaande algoritmen kunnen de sterkte ervan juist ­ expres of onbewust ­ verzwakken. Ook de bekendheid van een bepaald bedrijf of persoon zegt nog niets, en als er referenties geboden worden, bekijk die dan goed.

  • Internet

    Dit hoofdstuk behandelt de twee meest gebruikte toepassingen van het Internet, namelijk het World Wide Web (WWW) en e-mail. Twee toepassingen die de laatste jaren sterk in opkomst zijn als communicatiemiddel. Ze zijn snel, goedkoop, handig en vrij gemakkelijk in het gebruik. Helaas zijn er naast deze voordelen ook nadelen aan verbonden, met name op het gebied van de veiligheid. Naast het beschrijven van deze gevaren, zal er ook de nodige aandacht besteed worden aan de beveiliging.

    WWW

    Het World Wide Web (WWW) is een van de populairste stukken van het Internet. Wanneer iemand een pagina op het WWW wil bekijken, surft hij vanaf zijn eigen computer naar die pagina toe. Dit surfen betekent dat hij een zogenaamd webrequest (verzoek om een bepaalde Internetpagina) verstuurt naar de computer waar de pagina op staat. Dit webrequest bevat een verwijzing naar de pagina. De computer waaraan dit request is gericht geeft de gevraagde pagina aan de computer van de geïnteresseerde. Dat gebeurt via allerlei commando's van het HyperText Transfer Protocol (HTTP): het protocol dat computers gebruiken om met elkaar te praten over het WWW. De browser (een programma dat je nodig hebt om over het WWW te surfen, bijvoorbeeld Netscape of Internet Explorer) kan in HTTP allemaal headers meegeven met gegevens over computer, operatingsystem en dergelijke. Headers zijn gegevens die voorafgaan aan het eigenlijke bericht (bijvoorbeeld "ik ben Netscape versie 4.05, draai onder Windows 95 en mijn monitor heeft een resolutie van 800x600"). Dan geeft de machine waar de pagina op staat eerst het een en ander aan informatie terug zoals de grootte van het bestand, en of het tekst of plaatjes bevat. De pagina en de programmatuur van de gebruiker worden zo beter op elkaar afgestemd. Om het WWW sneller te maken worden er door Internet-ServiceProviders (ISP's, dit zijn de organisaties die toegang geven tot het Internet) zogenaamde proxies neergezet. Proxy-machines zijn computers die opgevraagde pagina's op hun eigen harde schijf zetten en deze enige tijd bewaren. Wanneer een andere gebruiker dezelfde pagina daarna opvraagt, haalt de provider deze vervolgens van de proxy om sneller te kunnen functioneren. De proxy-machine kijkt op de originele lokatie van de pagina aan de hand van de datering of een pagina nog veranderd is en beslist vervolgens of hij hem opnieuw moet ophalen of niet. Moderne proxies gaan er echter van uit dat er een aantal minuten niets verandert, tenzij er met de pagina een code is meegegeven dat de pagina na een bepaalde tijd niet meer bruikbaar is. Een browser heeft zelf ook een ingebouwde cache. Dat is ruimte op de harde schijf waar door de browser opgevraagde pagina's worden opgeslagen. Wanneer deze pagina korte tijd later nogmaals bekeken wordt hoeft de browser hem niet meer op te halen maar pikt hij hem van de harde schijf. Wanneer je zeker wilt weten dat je de laatste versie van een pagina krijgt, kan je óf je cache en proxies uitzetten óf op je browser de combinatie shift-reload gebruiken. Dan haalt het programma de pagina direct op van de oorspronkelijke lokatie.
    De modernste proxy is de inline-proxy. Deze machine onderschept elk webrequest om het toch via de proxy te laten lopen. Ook al zijn de proxies uitgezet in de browser. Een voorbeeld van de nadelen van proxies geeft het Electronic Disturbance Theatre . Deze elektronische actiegroep had een programma geschreven dat in hoog tempo steeds de pagina's van de Mexicaanse regering ophaalde, in een poging de server van de regering stil te leggen. Ze waren echter vergeten dat deze pagina's het grootste deel van de tijd uit hun eigen cache of de proxy van hun provider werden opgehaald, waardoor de Mexicaanse overheid weinig tot niets van hun actie heeft gemerkt. Alleen de proxy-server van hun eigen provider raakte overbelast. Een ander nadeel van proxies is dat de bezoekersaantallen van een pagina niet meer goed kunnen worden geteld.

    De veiligheidsproblemen van het WWW

    Java en Javascript zijn extra computertalen die in moderne browsers zitten ingebakken. Java is een extra reeks commando's die strikt binnen de browser functioneert, Javascript maakt het mogelijk dat echte onafhankelijke programmaatjes buiten de browser worden opgestart. Deze programmaatjes gaan lopen op de computer zelf, maar blijven in een afgeschermde ruimte om te voorkomen dat er dingen op de computer gebeuren die niet de bedoeling zijn. Dat is de theorie. In de praktijk komt het echter nog al eens voor dat er fouten in de mogelijkheden van Javascript worden ontdekt, waardoor er programmaatjes geschreven kunnen worden, die zich wel buiten deze "zandbak" weten te wurmen. De bekende browsers reageren hier altijd heel snel op met het uitbrengen van een nieuwe versie van hun programmatuur, waarin dit lek is gedicht. Het is dus aan te raden altijd de meest recente versie van een programma te installeren. De standaardmogelijkheden van Java laten echter genoeg privacy-schending toe. Iedereen kan bijvoorbeeld de recente browse-geschiedenis van een bezoeker van een homepage opvragen. Daarnaast zijn Java en Javascript zo veilig als bekend is. Wanneer iemand een lek ontdekt en dat niet bekend maakt, kan die persoon er misbruik van maken. Wanneer je dus een zo hoog mogelijke veiligheid nastreeft, is het slim Java en Javascript uit te zetten. Maar dat heeft alleen zin wanneer je echt gevaarlijk bezig bent, want het maakt het surfen er niet gemakkelijker op.

    Een functie van het WWW die vaak wordt gezien als een veiligheidsrisico zijn cookies. Cookies zijn gegevens die via je browser van buitenaf in het bestand cookies.txt op de harde schijf van een computer kunnen worden gezet bij het bezoeken van een homepage. Het gaat meestal om een code of een lang getal. Deze cookies worden op verzoek teruggegeven aan de site waar ze vanaf komen. Cookies kunnen worden aan- en uitgezet in een browser. Een typisch, onschuldig gebruik van cookies is dat een homepage zo kan "onthouden" welke achtergrondkleur een bezoeker graag wil hebben, door een cookie te schrijven met dit gegeven erin. Ook kan een winkelsite zo een winkelwagentje of klantnummer aan een bezoeker toekennen. Dan wordt door een cookie onthouden welk wagentje de bezoeker heeft. Dat er echte privacy-schendingsaspecten aan cookies zitten, is nog niet aangetoond. Cookies zijn een noodzakelijk kwaad, want ondanks dat ze van buitenaf onduidelijke codes op je harde schijf kunnen zetten, maken ze het browsen wel gemakkelijker. Het is mogelijk om bijvoorbeeld in een cookie aan te geven dat iemand een formulier al een keer heeft ingevuld, waarmee toegang wordt verkregen tot een bepaalde site. Hiermee wordt voorkomen dat je eindeloos hetzelfde formulier in moet vullen. Een ander bekend gebruik is dat van Doubleclick.com. Dit bedrijf plaatst cookies via allerlei populaire sites (onder andere door alle grote zoekmachines) om een een zo volledig mogelijk beeld van het surf-gedrag en de interesses van Internet-gebruikers te krijgen. Deze informatie gebruikt Doubleclick.com weer om zo effectief mogelijk advertenties te plaatsen.

    Mocht je niet willen dat er van buitenaf codes op je harde schijf worden gezet dan kan je de cookies-optie uitzetten of de binnenkomende cookies op laten eten door een cookie-eter. Het voordeel van dit laatste is dat een pagina die bezocht wordt dan denkt dat zijn cookies worden geaccepteerd en dat is voor sommige pagina's verplicht. De programma's Junkbuster , Cookiemonster en Anonymous Cookie eten cookies op. Junkbuster verwijdert bovendien alle advertenties van de pagina's die worden bekeken en geeft valse informatie over de computer bij het verzenden van een webrequest.

    Veiligheidsproblemen bij aanbieders

    Niet alleen de gebruikers maar ook de aanbieders hebben problemen met het WWW. Een voorbeeld hiervan zijn illegal characters . Het komt regelmatig voor dat een bezoeker van een homepage gegevens (naam, adres, e-mailadres) kan intypen op een webpagina. Deze gegevens worden door de webpagina zelf omgezet in UNIX-computertaal zodat de computer waar de webpagina op staat, weet wat er moet gebeuren. In UNIX worden twee commando's gescheiden door een puntkomma. Wanneer de bezoeker nu een puntkomma in de ingevoerde data verwerkt kan het zijn dat de gegevens na de puntkomma als nieuw commando worden gezien. Als de bezoeker na deze puntkomma dus een commando invoegt waarmee gegevens worden veranderd op de WWW-server, is het op eenvoudige wijze mogelijk om de server te hacken. Een ander probleem zijn CGI-scripts. Dit zijn programma's die door een webpagina kunnen worden aangeroepen en op de computers van de Internet-provider draaien. Een voorbeeld hiervan zijn de tellers die op veel pagina's het aantal bezoekers registreren of zoekmachines die een website kunnen doorzoeken. De meeste providers geven toestemming om een aantal geselecteerde CGI-scripts te draaien die zij zelf hebben goedgekeurd. De nadelen van CGI-scripts zijn namelijk dat het een enorm beslag legt op de beperkte geheugen-capaciteit van de provider en dat er oncontroleerbare hack- en virusmogelijkheden zijn.

    E-mail

    Er zijn in principe twee soorten e-mailprogramma's: mail-clients, zoals Eudora, Outlook, Pegasus enz. en Mail Transfer Agents (MTA). Mail-clients halen en versturen de mail van de gebruiker. MTA zorgt voor het versturen van mail van de ene computer naar de andere. Een mail-client haalt de mail van en gebruiker op bij de POP-server (Post Office Protocol). Op een POP-server staat de inkomende mail van iedereen die een account heeft bij desbetreffende provider. De mail-client vertelt de POP-server dan meestal dat de mail die opgehaald is, meteen kan worden weggegooid. Op de POP-server blijft de mail nog enkele uren staan waarna het ook daar weggegooid wordt. Als je een belangrijk mailtje kwijt bent, kan je dus heel snel je provider zien te bereiken (vaak gaat dat via e-mail sneller dan via de telefonische helpdesk), anders is het voorgoed weg. Mail die je ontvangt staat in leesbare taal op disk. Deze mail heeft z'n weg gevonden naar jou omdat iemand anders het via een mail-client heeft afgeleverd bij een MTA, dat altijd werkt met het protocol SMTP (Simple Mail Transfer Protocol). Een SMTP-server is, in verhouding tot een POP-server, iets minder groot, aangezien hij een bericht direct doorstuurt en een POP-server berichten moet opslaan totdat een gebruiker ze heeft opgehaald.

    Een voorbeeld:
    Jopie stuurt een mailtje naar Maria. De mail-client van Jopie (bijvoorbeeld Outlook) stuurt het mailtje naar de SMTP-server die de uitgaande post van Jopie behandelt, die stuurt het meteen door naar de SMTP-server die de ingaande post van Maria behandelt, en die stuurt het meteen door naar de POP-server, waar het blijft staan tot Maria het bericht ophaalt.

    De veiligheidsproblemen van e-mail

    Er is een duidelijk onderscheid tussen het gericht zoeken en het 'in het wilde weg' zoeken op het net. Bij het gericht zoeken wordt bijvoorbeeld alleen mail onderschept van een persoon of groepering of wordt er een bepaalde computer afgeluisterd. Bij het "in de wilde weg" zoeken wordt er gewoon gekeken of men iets interessants tegenkomt. Dit laatste is voor een kleine onderzoeker of geïnteresseerde particulier natuurlijk een onmogelijke klus, maar voor een organisatie als de Amerikaanse NSA, met een jaarbudget dat in de miljarden loopt is het natuurlijk al een stuk eenvoudiger (zie hoofdstuk vier). Een relatief eenvoudige manier voor politie en inlichtingendiensten om aan gegevens van een bepaald persoon te komen, is om bij een provider aan te kloppen met een rechterlijk dwangbevel in de hand : "Wij willen alle gegevens van persoon X inzien". De gebruiker merkt hier niks van, de provider maakt wat aanpassingen in de configuratie-files, en alle mail van die gebruiker verdwijnt ook keurig in het "bakje" van de desbetreffende dienst. De Wet Computercriminaliteit staat toe dat de politie en inlichtingendiensten alles krijgen wat iemand op een bepaalde plek heeft opgeslagen, dus ook de mail en alle files. De wet staat alleen het naar de toekomst gericht tappen, dus tappen van dingen die nog moeten gebeuren, niet toe (overigens ligt er op dit moment een nieuw wetsvoorstel bij de minister waarin dit wel mogelijk is).

    Wat met name voor politie en inlichtingendiensten interessant is, is een kijkje in de logfiles van een gebruiker. De logfiles zijn een soort computerdagboek. Providers houden logfiles bij van alle gebruikers. Daarin staat eigenlijk alles wat jij via hun computer doet, naar wie je mail hebt gestuurd, wanneer je welke Internetsites hebt bekeken enzovoort. Door de logfiles te bekijken is het erg gemakkelijk om een "verkeersanalyse" te maken : wie heeft contact met wie? in wat voor onderwerpen is deze persoon geïnteresseerd? enzovoort. Je moet er altijd rekening mee houden, wie je ook belt, dat er logfiles zijn waar in staat dat jij degene bent die gebeld heeft. Als die logfiles niet bij de provider staan, staan ze wel bij de PTT. En dan maakt het niet uit of je je nummer afschermt of niet. Ga er maar van uit dat de PTT "tot in de eeuwigheid" alle logfiles heeft met de a-nummers, dit zijn de nummers van wie er gebeld heeft, de "b-nummers", dit zijn de nummers van wie er gebeld werd, de gespreksduur en alle verdere technische gegevens van dat gesprek. Dit soort gegevens is natuurlijk opsporingsgoud. Het eerste wat politie en inlichtingendienst willen van een telefoonmaatschappij zijn deze data. De gegevens van een jaar passen binnenkort op een DVD (opvolger van de CD), dus praktisch gezien is er ook geen al te groot probleem meer. Een laatste mogelijkheid om achter informatie over bijvoorbeeld een gebruiker te komen is natuurlijk door middel van het hacken van een provider. Namaakanonimiteit betekent dat degene aan wie jij een e-mail stuurt niet kan zien dat jij het verstuurd hebt, maar dat wel te achterhalen is dat de mail van jou komt. Wat bijvoorbeeld veel gebruikt wordt zijn bepaalde websites waar je in klare taal contact mee legt, en waar je dan anoniem een tekst in kunt vullen die een programma dan voor je verstuurt. Als de ontvanger dan bijvoorbeeld een aanklacht tegen de zogenaamde anonieme verstuurder van dit mailtje indient, is het voor justitie vervolgens erg gemakkelijk om deze verstuurder te traceren. Namaakanonimiteit geldt ook voor allerlei mailverzendprogramma's onder Windows, waar je je eigen "from :"-adres in kunt vullen en je eigen machinenaam. Voor een provider en dus ook voor justitie is het echter erg eenvoudig om na te gaan wie de verzender is geweest. Ook via het lezen van mailheaders kun je relatief makkelijk een verstuurder terug traceren. Je kunt terugvinden van welke provider de e-mail afkomstig is, op welk tijdstip het verstuurd is en vanaf welk IP-nummer. Tijdstip, het IP-nummer en vaak ook nog een telefoonnummer zijn in de log-files van een provider direct terug te herleiden naar een login-naam. Als je zelf wilt weten waar je mail ongeveer vandaan komt kan je de headers van een bericht van onder naar boven lezen. De onderste headers geven de bron van het bericht aan en de bovenste de bestemming. Daar tussenin staat de afgelegde route.

    Naast bovenstaande problemen die zich bij e-mail voor kunnen doen zijn er nog twee gevaren die niet onvermeld mogen blijven : mailinglists en virussen. Mailinglists zijn distributieprogramma's die berichten of elektronische kranten en tijdschriften verspreiden over een groot aantal ontvangers. Behalve de standaard e-mailproblemen hebben mailinglists nog een probleem; het is soms mogelijk te achterhalen wie de abonnees van een mailinglist zijn. In oudere maillinglist-programma's is het opvragen van een ledenlijst vaak een standaardoptie die niet uitgezet kan worden. Tegenwoordig kan een lijstbeheerder deze optie wel uitzetten en gebeurt dit meestal ook. Daar staan echter weer allerhande trucs tegenover. Zo kan je in de header van een bericht een code meegeven die door het mailprogramma van de ontvanger bevestigd moet worden. Dan ontvang je dus automatisch de e-mailadressen van de abonnees die de e-mail ontvangen hebben. Veel mailinglist-software haalt deze codes er tegenwoordig dus ook uit. Virussen kan je alleen krijgen via programma's en Word-documenten. Wanneer je wilt voorkomen dat je een computervirus binnenhaalt is het belangrijk altijd een recente virusscanner op je computer te hebben en daarmee bestanden die je binnenhaalt te scannen. Het is verstandig om bestanden van dubieuze herkomst sowieso niet te openen. Kwalitatief zijn alle bekende virusscanners vergelijkbaar, alleen de standaard met Windows meegeleverde scanner schijnt slecht te zijn. Er is echter nog een andere mogelijkheid om virussen binnen te halen. Via buffer-overflows slaat een programma ontvangen data in je computer op in stukjes geheugen die daarvoor gereserveerd zijn, zogenaamde buffers. Als een programma slecht geprogrammeerd is, hebben die buffers vastgestelde groottes. Dat brengt het volgende risico met zich mee: een mailprogramma ontvangt een attachment (bijlage) en reserveert voor de naam van het attachment 1024 karakters geheugenruimte. Wanneer de echte naam maar 500 karakters in beslag neemt kan de zender van de e-mail de resterende 524 karakters gebruiken om extra data mee te sturen. Met deze data kan bijvoorbeeld een stukje bestaande Windows-programmatuur overschreven worden. Hiermee kan je de computer opdrachten laten uitvoeren die niet de bedoeling zijn. Je kan bijvoorbeeld zorgen dat een meegestuurd programma wordt gestart en daarmee een veel ingewikkelder virus aanzetten of een hacktool installeren. In nieuwe versies van mailprogramma's is dit niet meer mogelijk, maar in minder recente (ouder dan een half jaar) zitten wel dergelijke lekken, voor zover ze al bekend zijn. Naast gewone virussen bestaan er hacktools zoals Back Orrifice en Netbus. Die programma's zijn geschreven om je computer van buitenaf toegankelijk te maken. Wanneer je bijvoorbeeld thuis wilt werken en toegang wilt hebben tot je PC op kantoor kan dat handig zijn. Back Orrifice en Netbus zijn echter bijzonder goed te misbruiken. Buitenstaanders kunnen ze ook op je computer zetten om daarna onbeperkte toegang te hebben. Hacktools kunnen bijvoorbeeld verstopt zitten in programma's die als attachment mee worden gestuurd met e-mail. Recente virusscanners herkennen deze programma's en kunnen ze verwijderen al zijn het strikt genomen geen virussen. Beter is het nog om onvertrouwde of onbekende attachments direct weg te gooien en geen onduidelijke programma's van onbekende sites te downloaden. Virusscanners: McAfee Virusscan , F-Secure , E-safe en Norton .

    Andere diensten

    Naast het WWW en e-mail heeft het Internet nog een aantal andere diensten dat veelal dezelfde veiligheidsproblemen heeft als eerder geschetst. Een paar mogelijkheden verdienen echter nog extra aandacht.

    IRC

    IRC of Internet Relay Chat is een elektronische babbelbox. Op een bepaald kanaal kunnen gebruikers inloggen en met elkaar praten over een bepaald onderwerp. Er zijn honderd à tweehonderd IRC-servers over de wereld (waarvan er circa vijf in Nederland staan) die verbonden zijn met elkaar en dit babbelverkeer regelen. Om mee te babbelen moet een gebruiker op een server inloggen onder een nickname. Dan kiest hij voor een bepaald netwerk en voor een kanaal. Er zijn zes verschillende IRC-netwerken en deze netwerken zijn weer onderverdeeld in kanalen, meestal met een bepaald thema. Iedereen kan ook zelf een kanaal beginnen over een bepaald onderwerp of om met een aantal bekenden te praten. Dit lijkt een redelijk overzichtelijke wereld, waarop niet al te veel privacy-inbreuk kan plaatsvinden. Schijn bedriegt echter. Als een aantal gebruikers op een kanaal zit, zijn zij allemaal zichtbaar aanwezig. Onzichtbare aanwezigen kunnen echter ook meeluisteren. De beheerders van één van de IRC-servers kunnen onzichtbare meeluisteraars installeren. Bovendien kunnen beheerders precies zien wie er op het IRC-netwerk zitten en bijvoorbeeld ook naar één of meerdere personen op IRC zoeken. IRC heeft daarnaast dezelfde problemen als bijvoorbeeld e-mail. Er kan dus mogelijk virusbesmette bestands-overdracht plaatsvinden. Bovendien is het berichtenverkeer niet versleuteld en dus mee te lezen. Het is erg gemakkelijk om een gesprek af te luisteren. Het is publiekelijk bekend wie met wie waarover praat. Als laatste waarschuwing is het natuurlijk goed om te bedenken dat iemand zich als iemand anders kan uitgeven, een op sex beluste oude man als jonge knappe student, een BVD-er als RAF-sympathisant of een klein kind als geïnteresseerde in marihuana. Wat een zekere veiligheid geeft, is binnen IRC een DCC (Direct Client to Client) verbinding aangaan. Dan nemen twee babbelaars elkaar even apart. Dat loopt niet meer via het IRC-netwerk, maar via een directe verbinding tussen de twee deelnemers. Hiermee zijn de directe IRC-bedreigingen afgewenteld, maar het berichtenverkeer blijft natuurlijk onversleuteld.

    ICQ

    ICQ (I Seek You) is een IRC-kloon. Het maakt echter geen gebruik van een server-netwerk, maar van één server. Deze server regelt veel minder dan IRC. Het berichtenverkeer loopt direct van gebruiker naar gebruiker en de ICQ-server houdt alleen bij waar de diverse gebruikers zich op het Internet bevinden en laat veel meer over aan de software op de computer van de gebruiker. Deze software houdt bijvoorbeeld zelf bij met wie hij in gesprek is tijdens een chat. Ook ICQ heeft veiligheidsproblemen. Er kan heel makkelijk allerlei informatie opgevraagd worden over iemand met een ICQ-nummer bij de maker van ICQ, Mirabillis. Je kan bovendien achterhalen wanneer iemand ICQ draait op zijn computer, verbinding maken met die computer en het ICQ-nummer vragen. Vervolgens kan je bij Mirabillis de gegevens opvragen. Verder zijn er in het verleden een aantal beveiligingsproblemen geweest met de software die allerlei rottigheid mogelijk maakten. Zo konden bijvoorbeeld heel gemakkelijk wachtwoorden van gebruikers opgevraagd worden of kon de ICQ-identiteit van iemand worden overgenomen om vervolgens zijn berichten te ontvangen. ICQ heeft dus privacy-, beveiligings- en authentificatie-problemen en is ongecrypt. Het is dus af te raden om dit programma te gebruiken als je gesteld bent op enige vorm van privacy.

  • Encryptie

    Cryptografie, of kortweg crypto, wordt tegenwoordig in veel dingen toegepast: in GSM's, Pin-betaalautomaten, Chipper en Chipknip, de decoder van de TV (Canal+), enz. enz. Waar datastromen afgeschermd moeten worden voor anderen, of als er voor diensten betaald moet worden, komt cryptografie in beeld. Maar als we kijken waar we crypto voor onze eigen veiligheid kunnen gebruiken, is het vaak in computerprogramma's of in computergerelateerde toepassingen. Er zijn crypto-programma's om losse bestanden te versleutelen, om een deel van je harde schijf te versleutelen,om je e-mail te coderen, om afgeschermde webpagina's mee te bekijken, en er is zelfs software om je spraak (telefonie) te crypten. In recente jaren heeft de hoeveelheid crypto een enorme vlucht genomen. Het Internet heeft een grote revolutie in het gebruik van cryptografie teweeg gebracht. Er was ineens de noodzaak voor mensen en bedrijven om veilig met elkaar te kunnen communiceren over een open netwerk. Door de jaren heen werd duidelijk dat grote softwarehuizen vaak achterdeurtjes in hun beveiligingsprogramma's inbouwden waardoor inlichtingendiensten of andere overheidsinstaties toegang hebben, of dat de software zo slecht geprogrammeerd was dat de beveiliging heel snel teniet kon worden gedaan. Een alternatief voor deze programma's is het gebruik van OpenSource crypto-programma's. Dit zijn programma's die vrij en gratis te gebruiken zijn en waarvan de broncode beschikbaar is.

    Toepassingen van Crypto-software
    Crypto op het Internet
    E-mail versturen op het Internet is per definitie onveilig omdat het Internet geen veilig medium is. Mail passeert tijdens de verzending allerlei tussenstations (routers en mail-servers) en is kwetsbaar voor (al dan niet legaal) aangebrachte taps bij de verzender, de ontvanger of (in Echelon-achtige situaties) ergens op een groot knooppunt onderweg. Iemand die onderzoek doet kan geïnteresseerd zijn in de inhoud van een e-mailbericht, maar kan ook al heel tevreden zijn met een database waarin bijgehouden wordt wie er precies wanneer met wie mailt (een zogenaamde verkeersanalyse). Om je e-mail te beschermen tegen dit soort pottenkijkers kun je gebruik maken van een aantal populaire encryptie-programma's en -diensten. We bespreken er hier een aantal kort, en we geven voor- en nadelen.

    PGP
    De ongekroonde koning van de e-mail encryptie-programma's. PGP is het meest toegepaste OpenSource crypto-programma ter wereld. De twee populairste versies zijn PGP 2.6 en PGP 6.X. Het verschil zit hem er in dat in PGP 6.X geen crypto-algoritmen worden gebruikt waar patent op zit. Verder zijn beide versies gelijkwaardig als het om veiligheid op cryptogebied gaat. PGP 6.X kan door middel van plug in-modules samen werken met verschillende e-mail programma's zoals Eudora, Microsoft Exchange, Outlook en Outlook Express. Deze plug ins zorgen er voor dat je met een simpele muisklik je e-mail kunt ver- en ontsleutelen. Verder zit in PGP een disk wipe tool die de bestanden veilig van je hard disk haalt door ze meerdere keren te overschrijven. Een andere ingebouwde functie is PGP disk, dat in staat is om een deel van je harde schijf te versleutelen. PGP is gratis verkrijgbaar voor Windows, Mac en Unix systemen.

    S/MIME
    S/MIME is een encryptie-standaard die in erg veel populaire programma's, zoals bijvoorbeeld Outlook en Netscape-mail, zit ingebouwd en die gebruik maakt van sterke encryptie. Het grote nadeel van S/MIME is echter dat de programmeurs de broncode niet hebben blootgegeven. Hierdoor is onafhankelijke controle niet mogelijk. Bovendien maken de gangbare browsers buiten de VS gebruik van 40-bits algoritmes, en dat is bij lange na niet sterk genoeg. De programma's zijn vaak wel erg gebruikersvriendelijk, maar er is niet altijd te zien met welke encryptie een bericht precies versleuteld wordt. Ook gaat deze structuur uit van, soms onhandige, centrale certificate authorities die de sleutels van alle deelnemers aan communicatie moeten ondertekenen. Als je S/MIME zinvol wilt gebruiken moeten alle deelnemers de VS-versie van hun browser of een 128-bit SSL-update hebben. Verder is het recent aan het licht gekomen feit dat Microsoft Windows encryptieprogrammatuur een reservesleutel voor de NSA bleek te hebben wellicht een argument om de encryptie-mogelijkheden van Internet Explorer niet te gebruiken.

    Remailers
    http://www.cs.berkeley.edu/~raph/remailer-list.html
    http://www.anon.efga.org/Remailers

    Remailers zijn programma's waarmee je kan versluieren wie er met wie e-mailt. Om van een remailer-service gebruik te maken, moet je een e-mail versturen die versleuteld is met de PGP-sleutel van de remail-service. De remailer neemt de e-mail aan en ontsleutelt hem. Hij bekijkt de bestemming, "hakt" de headers er van af en stuurt het bericht vervolgens door. Vaak wordt het ook nog eerst naar een andere remailer doorgestuurd, die ook weer de headers eraf "hakt", het opnieuw encrypt, en het vervolgens doorstuurt naar degene waar de e-mail heen moet. Bij de afzender staat zoiets als "Anonymus" of " Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft JavaScript nodig om het te kunnen zien. ". De weg naar de echte afzender is zo natuurlijk niet meer terug te volgen. Wanneer de tekst zelf ook met PGP gecodeerd is, is zowel de inhoud als de geadresseerde onbekend. Je hebt verschillende soorten anonieme remailers. Allereerst heb je ouderwetse en onveilige remailers zoals Anon.pnet.fi. Bij deze remailer kreeg je een naam en werd vervolgens geregistreerd wie bij welk "anoniem" adres hoorde. Deze remailer kreeg op een dag een gerechtelijke uitspraak om de anonimiteit van een gebruiker op te heffen en aldus geschiedde. Korte tijd later ontstonden de Cypherpunks, een los verband van allerlei Californische anarchisten, die besloten een anonieme remailer te bouwen, de Cypherpunk-remailer. Alles wat deze remailer in of uit ging was PGP-gecrypt, en wat er verder allemaal gebeurde werd nergens geregistreerd. De opvolger van deze remailer was de Mixmaster-remailer. Deze remailer knoopt een aantal remailers aan elkaar, die onderling de hele dag allerlei willekeurige data aan het uitwisselen zijn. Wanneer er dan een e-mailt binnenkomt gaat die mee in die enorme stroom data en is het zo goed als onmogelijk om daar een verkeersanalyse op los te laten. Via remailers kan je voor een anonimisering van de afzender én geadresseerde zorgen. Soms is het echter handig om alleen de geadresseerde te anonimiseren. Behalve voor aftappers is de adressering ook door de ontvanger van een e-mail te lezen. Dat is natuurlijk geen enkel probleem wanneer er een één-op-één-verzending plaatsvindt (een persoon verstuurt een berichtje aan een andere persoon). Maar wanneer een bericht aan een groep van personen wordt verstuurd kan dit vervelende consequenties hebben. Een goed voorbeeld is de verzending van een links-radicaal elektronisch tijdschrift, waarbij alle abonnees voor alle ontvangers zichtbaar meegestuurd waren. Deze abonnees ontvingen vervolgens van diverse mede-geabonneerden allerlei ongevraagde post, onder andere van een rechts-extremist, die onder valse voorwendsels op de verzendlijst was gekomen. Deze persoon beschikte na dit foutje over een flink bestand met linkse e-mailadressen. Om de ontvangers van een e-mailbericht onzichtbaar te maken moeten de adressen van die ontvangers ingevuld worden bij BCC: (Blind Carbon Copy) in het adresveld van het e-mailprogramma. Ontvangers zullen dan in het geadresseerden-veld Recipient-list Suppressed zien staan.

    --------------------------------------------------------------------------------

    Praktijkvoorbeeld
    Stel, je hebt een filiaal van een bekende hamburgerketen in de fik gezet. Vervolgens wil je deze aanslag door middel van een persverklaring opeisen, hoe kun je dat het beste doen?
    Het verstandigste is om naar een Internetcafé te gaan, of een andere openbare ruimte waar een Internetaansluiting is. Maak voor het versturen van je persbericht gebruik van buitenlandse anonieme remailers, en het liefst dan ook nog van meerdere tegelijk.
    Pas echter wel op dat je niet met je hoofd voor een bewakingscamera gaat staan (je zou niet de eerste zijn die op deze manier gepakt wordt).
    --------------------------------------------------------------------------------

    ZipLip
    ZipLip is een dienst die veiligheid belooft doordat je met je browser een SSL-verbinding opent naar ZipLip. Daar maak je dan op een webpagina een bericht dat je aan een bepaald e-mailadres richt. ZipLip stuurt dan een e-mailtje naar dit adres, met de mededeling dat er een beveiligd bericht klaar ligt. De ontvanger maakt vervolgens verbinding met ZipLip en haalt het bericht op. Het grote probleem is dat het bericht dus in klare taal op de harde schijven van ZipLip staat, en dat ZipLip, mits geconfronteerd met het juiste papierwerk, dit bericht zal moeten afgeven. Ziplip is wel bruikbaar om de verkeersanalyse lastiger te maken, door de dienst te gebruiken om een reeds (bijvoorbeeld met PGP) gecodeerd bericht te versturen. ZipLip biedt wel een dienst aan om de mail op hun schijf te coderen, maar dat wordt pas gedaan nadat het bericht in klare taal van je ontvangen is. Bovendien gebruikt ZipLip een raar en gammel systeem waarbij je de ontvanger een hint kunt geven om het password te raden.

    HushMail
    HushMail is ook een web-gebaseerde dienst. Deze keer krijg je van de website echter een klein programmaatje dat het coderen en decoderen voor jou doet. Als er e-mail verstuurd wordt tussen twee HushMail accounts beschikt HushMail dus nooit over de klare taal. Maar het is onduidelijk of je inderdaad een goed werkend programma van ze hebt gekregen. Als iemand (een overheid) HushMail kan dwingen om bij een groep gebruikers een namaak-programma te installeren dat er precies zo uitziet als de echte HushMail, is het programma lek. Bovendien moet je er met alle web-services rekening mee houden dat de meeste mensen gebruik maken van browsers met slechts 40-bit encryptie en dat is volstrekt onvoldoende

    Freedom
    Freedom is een nieuwe dienst waarbij je een eigen programma (client) op je computer krijgt. Het is opgezet door een Canadees bedrijfje, Zero Knowledge. De client codeert al je e-mail en web-verkeer en verstuurt alles via een netwerk van verschillende servers, waardoor analyse van de inhoud (bij mail tussen twee Freedom-gebruikers) en verkeersanalyse onmogelijk worden. Een geniaal systeem waarbij geen enkele partij in het Freedom network weet wie er wat aan het doen is. Je kunt omschakelen tussen meerdere identiteiten (nyms), die niemand aan elkaar of aan je echte identiteit kan koppelen. Het gebruik van deze nyms gaat in de toekomst geld kosten, maar de betaling gebeurt op zo'n manier dat niemand weet welke nyms van jou zijn. Het enige probleem is dat de software op dit moment nog in de testfase verkeert en bij het verschijnen van dit boek nog niet te koop is. Maar Freedom is, als het af is, zonder twijfel de highest-tech in het versturen en ontvangen van veilige e-mail en in het geheim houden waar je precies naartoe surft. Daarom is het absoluut een ontwikkeling om in de gaten te houden. Tot Freedom volledig functioneert is het aan te bevelen om, waar mogelijk, PGP en remailers te gebruiken. De web-gebaseerde diensten zijn wel iets makkelijker te gebruiken, maar bieden bij lange na niet dezelfde mate van veiligheid.

    Browsers
    Browsers bezitten ook de mogelijkheid om via een gecrypte verbinding met een website te communiceren. Dit gebeurt via het SSL protocol. Dit protocol kan verschillende sterkten van encryptie gebruiken. Ook hierbij is de sterke encryptie voornamelijk door de VS gemonopoliseerd, waardoor het browsen op niet-Amerikaanse websites direct terugvalt tot 56 bits-encryptie. Met Fortify is Netscape in ieder geval ook te bewapenen met encryptie op volle sterkte. Fortify is een programma dat Netscape vertelt dat er toestemming is om sterke crypto te gebruiken. Normaal gesproken wordt deze sterke encryptie alleen toegestaan bij door bepaalde instanties goedgekeurde websites. Overigens geldt hetzelfde voor de Microsoft Internet Explorer, maar hier is helaas geen Fortify-programma voor beschikbaar. Wel kun je van sites zoals http://www.zedz.net de sterke encryptie varianten downloaden. Op de URL http://www.fortify.net/sslcheck.html kun je controleren of je browser sterke encryptie gebruikt of niet.

    SecureSHell (SSH)
    Tunnel-surfen is een mogelijke oplossing voor veel afluisterproblematiek tussen de provider en de computer thuis. Wanneer er een versleutelde tunnel wordt aangelegd tussen een PC thuis en een provider, is het data-verkeer tussen die twee tegen direct afluisteren van de telefoonlijn beschermd. Wanneer er echter bij de provider of verder op het Internet wordt afgeluisterd is alles weer gewoon leesbaar. Er bestaan programma's om zo'n tunnel aan te leggen, bijvoorbeeld SSH (SecureSHell). De provider moet dit programma ondersteunen. Na het inbellen legt het programma een crypto-tunnel aan. Vervolgens moeten alle Internet-programma's zo ingesteld worden dat ze gegevens opvragen en versturen via deze tunnel. E-mail, webrequests of andere data zijn dan niet meer van de telefoonlijn af te plukken. SSH is vrij verkrijgbaar en OpenSource. Er is nu ook een nieuwere versie van SSH (versie 2) die niet helemaal vrij te gebruiken is en dus door de meeste computers op het Internet niet gebruikt wordt. Voor Windows is er een aantal SSH-programma's. De twee meest gebruikte programma's zijn F-Secure van DataFellows en SecureCRT van Van Dyke. Van beide programma's zijn evaluatie-versies te downloaden van http://www.replay.com. De commerciële versies zijn buiten Amerika niet te koop in verband met export-restricties. Sterk in opkomst zijn Putty en TeraTerm. Beide OpenSource programma's waren oorspronkelijk Telnet-programma's, maar zijn uitgebreid met het SSH-protocol. Ook deze programma's zijn van Replay te downloaden.

    Data-versleuteling thuis
    Behalve voor activiteiten op het Internet kan er ook crypto worden gebruikt om gegevens op je eigen computer te versleutelen. Hierboven werd het programma PGP Disk al behandeld.

    Scramdisk
    Scramdisk reserveert een deel van je harde schijf. In plaats van elke bestand apart te versleutelen gebruikt Scramdisk dit deel van je harde schijf om al jouw data in versleutelde versie op te slaan. De gebruiker kan aangeven hoeveel MB op de schijf gebruikt mag worden voor deze data. Deze ruimte wordt dan door de computer gezien als een extra harde schijf, maar kan alleen met het juiste wachtwoord geopend worden. Je kan er (na intypen van het wachtwoord) gewoon bestanden van en naar kopiëren, van verwijderen enzovoorts. Na afsluiting van de disk staat er slechts een groot versleuteld bestand, waar alle data veilig in opgeborgen zitten. Omdat Scramdisk wat slimme trucjes uithaalt is het bovendien niet aantoonbaar dat het bestand een Scramdisk-file is, tenzij je het wachtwoord kent. Scramdisk is ook in staat om een file te verbergen, in bijvoorbeeld een .WAV-bestand (geluid). Dit verstoppen heet steganografie. Dit is een handige functie, omdat het dan wel heel moeilijk te bewijzen is dat je crypto gebruikt. Scramdisk ondersteunt een aantal verschillende crypto-algoritmen, waaronder IDEA, Blowfish en DES, is OpenSource en is erg gebruikersvriendelijk. Helaas bestaat er momenteel alleen een Windows-versie.

    Spraakversleuteling
    Een derde toepassing van cryptografie is spraakversleuteling. Deze toepassing is te gebruiken wanneer je belt via je computer. Dat kan wanneer je via het Internet contact maakt met een ander die over hetzelfde spraakprogramma beschikt.

    Speakfreely
    Speakfreely is een programma dat het mogelijk maakt om veilig via het Internet te praten. Hoewel de makers van het programma erg hun best hebben gedaan om Speakfreely simpel in het gebruik te houden, zal je de documentatie die bij het programma wordt geleverd goed moeten lezen om te begrijpen hoe het werkt. Het heeft echter een aantal grote voordelen. Speakfreely gebruikt verschillende spraakcompressie-algoritmen, die het mogelijk maken om zelfs op 2400 baud met elkaar te praten. Hierdoor is het mogelijk om zelfs via hele ouderwetse modems of bijvoorbeeld via de GSM gecrypte spraak het Internet op te sturen. Maar Speakfreely werkt pas echt goed bij modernere modems. Het programma kan de digitale spraak met IDEA, Blowfish of DES versleutelen of met meerdere van deze algoritmen tegelijkertijd. Internet-gebruikers met een permanente verbinding (kabel, huurlijn) kunnen Speakfreely op hun PC gewoon als telefoon dienst laten doen, wanneer het programma in stand by-stand staat. Het is mogelijk om een belsignaal naar een andere computer te sturen zodat die rinkelt en er zit zelfs een antwoordapparaat-functie in. Met de hoge snelheden van de kabelmodems is de kwaliteit van de verbinding niet te onderscheiden van een normale telefoon, met het verschil dat je met Speakfreely niet meer afgeluisterd kunt worden. Al met al een heel nuttig programma. Speakfreely is OpenSource en beschikbaar voor Windows en Unix en er is ook een versie zonder crypto, Spook freely, voor de landen waar crypto verboden is.

    Nautilus
    Nautilus gaat van modem naar modem zonder Internetverbinding. Dit programma klinkt na versleuteling en ontsleuteling erg slecht en de sleuteluitwisseling is bovendien een probleem. Om aan een sleutel te komen waarmee de ontvanger de versleutelde spraak kan ontsleutelen, moet deze sleutel opgestuurd of afgegeven worden. Bovendien gebruiken gesprekspartners altijd dezelfde sleutel waardoor ontsleuteling achteraf mogelijk is. Wanneer een geheime dienst jarenlang versleutelde gesprekken heeft opgenomen en dan achter de sleutel komt, zijn alle oude gesprekken ook te ontsleutelen.

    PGP-phone
    PGP-phone is een mooi vormgegeven programma, dat een goede sleutelonderhandeling doet en eenmalige sleutels aanmaakt. De sleutels worden voorafgaand aan het gesprek aangemaakt en bovendien nergens bewaard. Helaas crasht het programma de hele tijd en komen er geen nieuwe versies van uit. Overigens is het goed om te bedenken dat het niet nodig is om het afluisteren van een telefoon onmogelijk te maken. Wanneer je het namelijk ingewikkeld maakt om een telefoon af te luisteren wordt het voor de dienst die probeert af te luisteren al snel rendabel om de ruimte af te luisteren waarin de telefoon staat.

    Crypto en besturingssystemen
    Er is natuurlijk altijd een risico dat de software staat op een site die door de verkeerde mensen is opgezet, en dus foute programma's kan bevatten. Vaak bevat de meeste crypto-software wel een digitale handtekening, die met PGP is te controleren. Rest natuurlijk wel de vraag hoe PGP zélf veilig geïnstalleerd kan worden. Er rijst zelfs een nog veel belangrijkere vraag. Kun je het besturingssysteem van je computer wel vertrouwen? Het antwoord daarop is eigenlijk nee, maar sommige besturingssystemen zijn onveiliger dan andere. Microsoft Windows is de koploper wat betreft beveiligingsproblemen. Hoewel de meeste problemen in de browser zitten (en daar heeft Netscape ook een handje van) en dan met name in Java en Javascript, is het probleem bij Microsoft nu juist de sterke koppeling van applicaties. Door koppelingen van allerlei Microsoft-programma's als Access, Word, Outlook en de browser heb je voor dat je het weet een supergeheim Word-document met database-gegevens per e-mail naar je aartsvijand gestuurd. Maar ook de crypto van Microsoft laat vaak te wensen over. Microsoft's manier van gecrypt aanmelden (PPTP) is al diverse manieren door programmeurs onderuit gehaald: of de beveiliging was triviaal te omzeilen, of de feitelijke encryptie was veel te zwak.

    Naast de beveiliging door middel van encryptie-software is er een aantal andere mogelijkheden om ongewenst afluisteren van computers tegen te gaan. Hieronder nog een aantal van die mogelijkheden, waarbij vermeld dient te worden dat de ontwikkelingen soms erg snel gaan. Voor recente informatie verwijzen we naar de website, die bij dit boek hoort.

    Tempest
    Zoals je elders in dit boekje hebt kunnen lezen is het mogelijk om je beeldscherm (en zelfs toetsenbord en processor) met speciale ontvangers af te luisteren. De verzamelnaam voor deze techniek is Tempest. Je tegen deze techniek te wapenen is niet eenvoudig, maar er zijn een paar oplossingen. We beginnen maar met de meest radicale (en dure) oplossing : een "Tempest proof tent". Deze lichtgewicht tent is gemaakt van een speciale stof die alle straling tussen de 10 Khz en de 2 Ghz tegenhoudt (tot 65 Db). Duur is het wel, de eenpersoonsuitvoering kost $ 15.000 , de 'vergaderkamer-uitvoering' wel $40.000. Volgens een woordvoerder kan de Amerikaanse overheid niet meer zonder haar tenten. Informatie over de tempest-tent vind je op http://cryptome.org/bema-se.htm Een andere oplossing tegen het monitor afluisteren is de "tempest font" oplossing. Studenten aan de universiteit van Cambridge hebben een lettertype (font) ontwikkeld dat er op jouw beeldscherm normaal uitziet, maar bij de afluisteraar als onleesbare onzin overkomt. Door met kleurverschillen te werken die voor het menselijk oog nauwelijks zijn waar te nemen, maar waar afluister-ontvangers juist heel gevoelig voor zijn, hebben ze een doeltreffende (en gratis) oplossing gevonden tegen het beeldschermafluisteren. Het font geeft voor de gebruiker een iets waziger beeld, maar afluisterontvangers zien niets meer. Helaas is het font nog niet in software als PGP e.d. verwerkt, maar je kunt het met enige moeite wel op je eigen PC instaleren; enige kennis van zaken is dan wel vereist. http://www.cl.cam.ac.uk/~mgk25/st-fonts.zip

    Het wissen van bestanden
    Over diskwipe tools kunnen we kort maar duidelijk zijn: ze werken niet (goed genoeg). Althans, niet als het om extreme situaties gaat. Als men echt gaat spitten op je harde schijf, is de kans groot dat een deel van de informatie die jij dacht te hebben gewist nog te achterhalen is. De kop van je harde schijf schrijft namelijk niet altijd op precies dezelfde plaats op de disk. Als je dus later een file wilt wissen kom je een klein beetje naast het originele spoor (of track) te zitten, waardoor je het midden van het spoor wel overschrijft, maar de rand niet. De originele disk-kop zal die rand niet kunnen lezen, maar speciale apparatuur heeft daar geen moeite mee. Hoe vaak je de track dus ook overschrijft, je kunt nooit meer op die "rand track" komen. Floppies die op een andere computer beschreven zijn kun je per definitie niet wissen, omdat het verschil in stand van de koppen te groot is. Het is duur om een schijf zo te ontleden, en het lukt niet altijd ... maar het kan dus wel. Programma's als PGP hebben een ingebouwde wisfunctie, waarbij instelbaar is hoe vaak een file overschreven moet worden. De super paranoia Gutmann standaard staat op 35 keer overschrijven, met bepaalde karakters. PGP wipe zit bij PGP tools, source code beschikbaar.

    Firewalls
    Als je iets hoort over veilige manieren om Internet te gebruiken, dan hoor je vaak de term firewall. Er wordt helaas al te vaak mee geadverteerd als dé oplossing voor de veiligheid van een netwerk. Niets is minder waar. Het probleem met een netwerk is dat het veel onderhoud vergt. Er staan vaak vele soorten computers en andere electronica door elkaar heen. En allemaal bevatten ze wel bugs (programmeer-fouten) die gevaarlijk kunnen zijn. De ene keer is het een bug in het besturingssysteem Windows, dan weer een bug in de webserver Apache, en dan weer in een scripting tool PHP die zowel op Windows als Linux platformen draait. Hoe zorg je nu dat je daar als systeembeheerder adequaat op kunt reageren? Of hoe bescherm je je eigen computer adequaat? Als eerste natuurlijk door op de hoogte te blijven van de laatste ontwikkelingen in beveiligingsniveaus. Goede websites om in de gaten te houden zijn http://www.rootshell.com, http://slashdot.org, http://www.ntbugtraq.com, http://www.2600.org, en wellicht is de beste van allemaal de Bugtraq mailinglist en website op http://www.netspace.org. Goed, je hebt de informatie, maar wat nu? Je hoort bijvoorbeeld dat alle werkplek-PC's vatbaar zijn voor voor een bepaalde bug die ze kan laten crashen. Hoe bescherm je nu in één keer alle PC's, zodat je ze op je gemak kunt updaten? Het makkelijkste punt om dat te doen is aan de ingang van je netwerk met de buitenwereld, vaak het Internet. Als je de Internetverbinding zo zou kunnen filteren dat men die bepaalde bug niet meer kan misbruiken, dan kunnen de werkplek-PC's nog gewoon veilig werken, ondanks dat ze vatbaar zijn voor die bug. Zo'n centraal "filter station" noemt men een firewall. Deze Engelse term komt uit de Middeleeuwen, waar de eerste verdedigingslijn van een stad of kasteel een muur was waar men brandende pek vanaf goot als de aanvallers eroverheen probeerden te klimmen. Er zijn in principe twee soorten firewalls, application firewalls en packet filter firewalls. De eerste weet meer van de inhoud van netwerkpakketten en kan daarom beter zien of de inhoud van een netwerkpakket schadelijk is. De tweede soort kijkt alleen naar de adressing en baseert op basis daarvan of het bewuste datapakketje de firewall mag passeren. Op het eerste gezicht lijkt de application firewall dus veel beter. In de praktijk zie je echter eigenlijk alleen maar packet filter firewalls. Computers op het Internet communiceren met elkaar via het TCP/IP protocol. Als een computer met de ander informatie via het Internet uitwisselt, gebeurt dat in kleine brokken: netwerkpakketten. Al deze pakketten hebben een afzender en een geadresseerde. Maar behalve dat hebben ze ook nog een zogenaamde "bronpoort" en "doelpoort". Deze poorten (een nummer tussen de 1 en 65535) zijn ingangen tot een computer. Als je bijvoorbeeld een e-mail stuurt, dan stuur je die naar een mailserver op een bepaald IP-adres, met poortnummer 25. Maar die mailserver kan ook best een webserver zijn. Als je de webpagina's van die server wilt zien, moet je poort 80 gebruiken. De programma's op je computer (je e-mail software en browser) kennen deze poortnummers. Voor Windows kun je die bijvoorbeeld vinden in het bestand c:\windows\services, voor Linux vind je ze in het bestand /etc/services. Het komt er dus op neer dat filteren op adres en poort eigenlijk al filteren op applicatieniveau is, omdat specifieke applicaties specifieke poorten gebruiken. Sommige applicaties gebruiken meerdere poorten, en een enkele applicatie gebruikt zelfs willekeurige poorten die per sessie afgesproken worden. Deze applicaties zijn moeilijker te controleren voor een firewall, en geven dan ook vaak problemen als een netwerk door een firewall goed dichtgespijkerd wordt. Met name FTP, ICQ en diverse multimedia-applicaties en conferentie-programma's gebruiken een onvoorspelbare mengelmoes van poorten. Deze programma's werken alleen goed als de firewall de manier van communiceren van deze programma's kent. Omdat een firewall eigenlijk slechts een filter is, hoeft het niet per se op een apart apparaat te draaien. Een bestaande computer kan ook zijn eigen verbinding filteren. Vandaar dat er diverse firewall-software oplossingen zijn. De Windows en Macintosh firewall-oplossingen schermen vaak de orginele TCP/IP implementatie van de computer helemaal af en gebruiken hun eigen versie van TCP/IP. Vooral op Windows NT is dit gebruikelijk, bijvoorbeeld de Raptor Firewall van Axent. Andere programma's nestelen zich alleen in de bestaande TCP/IP implementatie, iets dat gebruikelijk is voor Windows 95/98 computers. Voor Unix computers (Linux, FreeBSD ed.) ligt de situatie iets anders. Deze hebben standaard al een enorm goede firewall-mogelijkheid. Alleen de configuratie hiervan is beduidend moeilijker. De meest bekende hardware firewall is de Firewall-1 van Checkpoint. Overigens bezitten de meeste Internet-routers ook firewall-mogelijkheden die vaak ruim voldoende zijn, en tegenwoordig via een web browser ook nog eens makkelijk geconfigureerd kunnen worden.

    En andere taktiek die tegenwoordig sterk in opkomst is, is het gebruik van privé IP-adressen. Er is een speciale groep IP-adressen (onder andere het bereik 10.*.*.*) die nooit echt uitgedeeld gaat worden en die bedoeld is voor interne netwerken. Gebruik deze 10.*.*.* adressen intern, en geef slechts één machine (de firewall) een "echt" IP-adres. Alle computers in het netwerk kunnen slechts via de firewall het Internet bereiken. De firewall vertaalt al deze 10.*.*.* nummers naar zijn eigen (geldige) IP-adres en onthoudt voor welke computer hij een bepaalde opdracht heeft verstuurd. Het antwoord van het Internet komt terecht bij de firewall (de andere computer denkt dat de firewall het in eerste instantie verstuurd heeft) en deze vertaalt het terug voor de originele computer en stuurt het het lokale netwerk op. Deze truc wordt om meer dan alleen veiligheidsredenen gebruikt. Je krijgt bij de meeste Internet-abonnementen (of het nu om Internet via telefoon of kabel gaat) slechts één IP-nummer. Op deze manier kunnen in een huis toch meerdere computers via één IP-nummer van de Internet-verbinding gebruik maken. Deze methode wordt wel Network Address Translation (NAT) of masquerading genoemd.

    Ten slotte vind je in grote bedrijven vaak een nog iets ander type firewall. Dit laatste type is behalve een beveiliging voor gerommel van buitenaf, ook een instrument om Internetverkeer van de eigen werknemers te censureren. De baas wil immers dat er gewerkt wordt. In dit geval vindt alle communicatie met buiten plaats via een tussenpersoon, de proxy firewall. Deze proxy (een computer die eerder opgevraagde sites een tijdje opslaat, zie hoofdstuk 11) regelt bijvoorbeeld de filtering (geen websites met sex bekijken, slechts nieuwsgroepen die voor het werk van belang zijn) maar kan ook als centrale mailverwerker gebruikt worden. (Een overigens niet zo'n fraaie toepassing van de commerciële tak van PGP is een mailserver die alleen mail doorlaat die of uit gewone leesbare tekst bestaat, of met de geheime bedrijfs-encryptiesleutel leesbaar is.) Behalve de afscherming van individuele gebruikers of diensten, zorgt zo'n proxy ook voor een ontlasting van de Internetverbinding. Web-pagina's die door meerdere personen worden geraadpleegd, hoeven slechts eenmaal van het Internet gehaald te worden. De proxy server bewaart de pagina's na de eerste raadpleging, zodat iemand anders die dezelfde pagina raadpleegt, de bewaarde kopie krijgt te zien. Uiteraard zitten er diverse mechanismen in om ervoor te zorgen dat geen verouderde of dynamisch gegenereerde pagina's bewaard worden. Soms dient de proxy ook als een beveiligde deur naar buiten. Om dan een bepaald type verbinding naar de buitenwereld te realiseren dient men eerst een verbinding met de proxy server te maken. Daar plaatst men een verzoek voor een verbinding naar buiten, die dan door de proxy server opgezet en doorgegeven wordt. Dit type kom je nog wel eens tegen bij de diverse geavanceerde opties op Windows computers, onder de naam SOCKS. Het grootste probleem met dit type verbinding is dat de applicatie op de PC er specifieke SOCKS-ondersteuning voor nodig heeft. Daarom werkt de eerder genoemde NAT-methode veel beter. Een firewall beschermt je netwerk zeker tegen een hoop vreemde dingen van buitenaf. Hij beschermt je ook tegen configuratiefouten van computers in je eigen netwerk. Als het delen van bestanden en printers door de firewall geblokkeerd wordt, dan maakt het niet meer zoveel uit dat Jantje zijn C:-drive lees- en schrijfbaar deelt met de hele wereld, zonder wachtwoord. In dat opzicht is een firewall zeker waardevol, ook voor het kleine thuisnetwerk van een of twee computers. Als je een Windows PC met modem of netwerkkaart hebt, kijk dan zelf maar eens bij de eigenschappen van je C:-drive. Wordt die gedeeld zonder wachtwoord? Als het antwoord hierop "ja" is, dan kun je er vrijwel zeker van zijn dat iemand je hele registry, een speciaal bestand waarin veel programma's (inclusief Windows zelf) een heleboel wachtwoorden en andere persoonlijke informatie opslaan, heeft gekopieerd. En dat iemand waarschijnlijk daaruit zelfs je Internet-gebruikersnaam en -wachtwoord heeft gehaald, en vervolgens jouw Internet-abonnement gebruikt om nare dingen op andere computers te proberen. Het gevaar van een firewall is echter dat men zich te veilig gaat voelen. "Er is toch een firewall, mij kan niets gebeuren." En vervolgens krijgt die persoon het Melissa-virus gemailed en stuurt het virus vervolgens het laatste bewerkte Word-document naar de eerste 50 mensen in zijn e-mail adresboek, inclusief het virus. Of een via het web gedownload bestand, Java applet of Javascript programma mailt je registry naar een Hotmail account. Een firewall maakt het direct benaderen van je PC moeilijk tot onmogelijk, maar er zijn nog genoeg indirecte methoden om iemands PC ongemerkt te benaderen. Gebruik nieuwe versies van software, gebruik anti-virusprogramma's, en als informatie werkelijk zó kostbaar is, zorg dan dat die informatie niet in de buurt van een computer komt die wel eens, direct of indirect, aan het Internet wordt gekoppeld. Het is mogelijk zelf eens te spelen met firewalls of proxies. Behalve dan met de hardware firewalls, die tienduizenden guldens kosten. Een veel gebruikt product voor Windows is het shareware programma Wingate (http://www.wingate.com). Ook de nieuwe versie van Windows (Windows 2000) zou deze functionaliteit moeten hebben.

    Voor Unix zijn er diverse mini-distributies gespecialiseerd voor gebruik als firewall. Een Linux gebaseerde firewall is het Linux Router Project (www.linuxrouter.org) en een op BSD gebaseerde firewall is het picoBSD project (www.freebsd.org/~picobsd/). Deze laatste twee firewalls zijn OpenSource-producten, dus vrij verkrijgbaar, en alle broncode is in te zien.

    Ook voor besturingssystemen geldt dat het, uit veiligheidsoogpunt, de voorkeur geniet ook hier de broncode in te kunnen zien. Dat kan bij de commerciële besturingssystemen als DOS, Windows, Macintosh en OS2 niet. Er zijn gelukkig een aantal OpenSource-besturingssystemen waar dat wel het geval is, zoals Linux, FreeBSD of OpenBSD. Vooral Linux is momenteel sterk in opkomst.

    Windows-problemen
    Lekken in Windows
    Naast de surfprogramma's heeft ook Windows zelf een aantal veiligheidsproblemen. Dit operating-system (OS) is zeer fragiel en wanneer het standaard geïnstalleerd is, biedt het geen enkele bescherming. Hier volgt een aantal tips om Windows een beetje veiliger te maken: Geen onbekende of onvertrouwde netwerk- of Internetprogramma's draaien. Geen servers installeren die dingen aan het Internet aanbieden (FTP-servers), onder andere de standaardserver die bij FrontPage wordt geïnstalleerd. Geen Wingate installeren, dat is erg onveilig. Het is een tunnel van binnen naar buiten en andersom. Het doet zijn naam eer aan. Een goede ge-update virusscanner draaien. Windows-Networking/Netwerk moet op alle mogelijke manieren uitgezet worden wanneer er geen netwerk is geïnstalleerd. Wanneer een computer wel in een netwerk staat moet het zoveel mogelijk worden ingeperkt. Dat werkt als volgt: Wanneer je geen netwerk hebt:

    Alle protocollen behalve TCP/IP (dat is het protocol dat je voor het Internet nodig hebt) deïnstalleren. Dat doe je door in het configuratiescherm op Netwerk te klikken en daar alle protocollen, behalve TCP/IP, te verwijderen. Bestands- en Printerdeling uitzetten. Via Bestands- en Printerdeling geef je anderen op een netwerk toegang tot je bestanden en printers. Via Internet kunnen anderen dan echter ook toegang krijgen tot je computer. Dit schakel je uit via het configuratiescherm. Daar ga je naar het Netwerk, klik je op Bestands- en Printerdeling en vink je alle hokjes uit.

    Daarmee zijn de belangrijkste veiligheidsproblemen van Windows Networking verholpen.

    Wanneer je wel een netwerk aan het Internet hebt gekoppeld:
    Windows gebruikt de poortnummers 137 en 139 voor zijn eigen interne netwerk. Die moet je dus dichtmaken voor de buitenwereld. Dat moet je bij je netwerkrouter instellen. Wanneer er vanaf het Internet een pakketje binnenkomt voor poort 137 of poort 139 dan moet je dat pakketje weggooien. Een netwerkrouter is een programma dat in- en uitgaande datapakketjes bekijkt en ze binnen een netwerk verdeelt. Je kan voor je computer ook een firewall installeren, zoals Atguard of NukeNabber. Via deze programma's kan je heel precies instellen welke soorten data er via welke poorten de computer mogen verlaten of binnengaan. Wanneer dit niet kan of lukt moet je in ieder geval TCP/IP scheiden van je Bestands- en Printerdeling. Je gaat via het configuratiescherm naar Netwerk, klikt op TCP/IP en klikt op Eigenschappen en Bindingen. Je moet dan de binding tussen de Windows-networkingdienst en TCP/IP uitzetten. NSA-lek In augustus 1999 ontdekte de Amerikaanse organisatie Cryptonym, die onderzoek deed naar veiligheidsproblemen met Windows, dat Microsoft in alle Windows-versies een achterdeur heeft ingebakken voor de NSA. Dit achterdeurtje maakt de versleutelingstechnieken van Windows toegankelijk voor deze luistervinken. Daarmee is elk gebruik van met Windows meegeleverde cryptografie zo lek als een mandje. Gelukkig heeft Cryptonym, behalve deze ontdekking ook een oplossing aangedragen en biedt ze op haar website (http://www.cryptonym.com) een programmaatje aan dat dit lek dicht.

    Identificatiecodes
    Middels de pers is nogal wat verwarring gezaaid over unieke identificatiecodes die door Windows 98 en Office 97 geproduceerd worden. De heren en dames van de pers snapten niet dat het in principe om twee verschillende privacy-lekken gaat en husselden de twee verhalen door elkaar, zodat een onbegrijpelijke warboel ontstond.

    Windows 98 registratie
    Het eerste lek betreft Windows 98. Windows 98 heeft een Registration Wizard die het gebruikers eenvoudig maakt hun kopie van Windows 98 via het Internet bij Microsoft te registreren. Deze Wizard heeft een optie die je kunt selecteren en die er zorg voor draagt dat een samenvatting van jouw hardware-gegevens naar Microsoft wordt opgestuurd. De bedoeling hiervan is de helpdeskmedewerkers van Microsoft te voorzien van informatie die ze nodig kunnen hebben om de gebruiker te ondersteunen bij voorkomende problemen. Nu blijkt dit hardware-overzicht meestal sowieso naar Microsoft gestuurd te worden ook al heeft de gebruiker de betreffende optie niet geselecteerd. Het is uiteraard fout van Microsoft dat zij op deze wijze informatie verzamelt. Temeer omdat bepaalde hardware-gegevens uniek zijn (bijvoorbeeld allerhande serienummers) en deze informatie eenvoudig voor andere doeleinden te gebruiken is.

    Office 97 Document GUID
    Het tweede probleem betreft Office 97. Office 97 geeft een zogenaamde Globally Unique IDentifier (GUID) aan elk document dat door een Office-programma wordt gemaakt. In alle software, programma's en besturingssytemen moeten alle componenten een unieke naam of nummer hebben. Dit is om er zorg voor te dragen dat verschillende componenten niet met elkaar verwisseld kunnen worden. Software-ontwikkelaars hebben daarom het concept GUID ontwikkeld. Een GUID is een 128-bits nummer, dat wordt samengesteld door een complexe wiskundige formule die gebruik maakt van diverse gegevens van de computer van de gebruiker. Die computergegevens betreffen bijvoorbeeld datum, tijd, hardware-specifieke informatie en eventueel andere (wellicht gebruiker gerelateerde) data. Al deze informatie wordt in de formule gestopt, die daarmee een uniek nummer genereert. Een tweede berekening met dezelfde formule en andere gegevens mag nooit een zelfde GUID opleveren. Een voorbeeld van zo'n GUID is: 0A479B20-DE86-21d2-9154-333553640000. Het privacy-probleem met Office 97 betreft het feit dat Microsoft een GUID koppelt aan elk Office 97 document. Volgens Microsoft is de bedoeling hiervan dat andere ontwikkelaars die softwarehulpmiddelen maken, dit GUID kunnen gebruiken om verwijzingen tussen documenten te controleren en automatische hersteloperaties uit te voeren, wat in het geval van een complex web van samenhangende documenten vaak een probleem is. Het GUID van een Office document is niet direct gerelateerd aan de informatie die de Windows 98 Wizard naar Microsoft zendt en deze GUID's zelf worden ook niet verzonden. Dat betekent uiteraard niet dat het niet vervelend is dat elk Office-document op een netwerk tevens een uniek nummer in zich draagt, dat te relateren is aan de PC waarop het gemaakt is of aan de gebruiker die van deze PC gebruik maakt. Tot voor kort had niemand hier weet van. Het is een potentieel controle-instrument voor de werkgever en een krachtig hulpmiddel bij een eventueel politie-onderzoek. Het gebruik van zulke unieke identificaties beperkt zich niet tot Microsoft. Ook bijvoorbeeld de Pentium III-processor bevat een uniek identificatienummer dat via het Internet op te vragen is. Verder zijn er geen technische belemmeringen om dergelijke gegevens te combineren met op andere wijze verkregen data. Er zijn nu bijvoorbeeld al bedrijven die het klikgedrag van de websurfer ten behoeve van gerichte reclame opslaan in een database (1). Niemand belet allerlei staatsdiensten dergelijke databases, met nog meer gegevens, ten behoeve van andere doeleinden op te slaan. Vanwege de mogelijk verstrekkende consequenties reageren organisaties als Electronic Privacy Information Center daarom furieus bij het bekend worden van het ongecontroleerde en ongeautoriseerde gebruik van GUID's. Tegen Pentium-fabrikant Intel hebben Amerikaanse consumentenorganisaties zelfs een klacht ingediend bij de Federal Trade Commission. Microsoft heeft beloofd bovengenoemde mogelijkheid uit Office 2000 te laten en heeft wat programma's op haar site gezet om deze GUID-productie uit de bestaande Office 97 te halen. (Zie hiervoor http://officeupdat.microsoft.com/Articles/Metadata.htm waar een programma is te vinden om uit bestaande documenten de GUID te verwijderen.) Verder heeft de software-gigant haar website aangepast, zodat deze geen hardware-samenvattingen accepteert zonder dat de gebruiker deze optie in de Wizard heeft gekozen. Ook zouden reeds aanwezige hardware-samenvattingen die zonder gebruikersautorisatie plaatsvonden uit hun database verwijderd zijn. In nieuwe Windows-versies wordt een verbeterde versie van de Registration Wizard gestopt.

    1) Van bijna de helft van het Internetverkeer registreert firma Doubleclick het klikgedrag. De onderneming houdt bij welke webpagina's een websurfer bezoekt en welke informatie hij opvraagt bij elektronische zoekdiensten als Yahoo, Lycos en AltaVista. Al deze informatie wordt opgeslagen in een database. Deze informatie wordt gebruikt om met grote precisie adverteerders in contact te brengen met potentiële consumenten. Van een bezoeker van AltaVista stelt Doubleclick in een oogwenk vast uit welk land de surfer komt, bij welke Internet-provider hij is aangesloten en wie weet welke gegevens meer (zie Het Parool, 25 februari 1999).

    Broncodes
    Jaren geleden, toen computers nog alleen bij bedrijven en universiteiten stonden, was er nog niet zo heel erg veel software. En toen al kwam een van de grondleggers van het UNIX besturingssysteem, Ken Thompson, tot de realisatie dat software in principe gewoon nooit te vertrouwen is. Hoe kwam hij tot deze conclusie?

    Programmeurs schrijven hun programma in een programmeertaal die door mensen nog te lezen is. Vroeger was dat vaak Pascal of BASIC, tegenwoordig is het vaak de taal C of Java. Deze programmeertaal noemt met de broncode. Deze broncode wordt nu met een speciaal programma omgezet in een programma dat niet meer mensen, maar alleen nog maar door de computer kan worden gelezen en uitgevoerd. Dat omzetten heet compileren. Als de broncode eenmaal is gecompileerd, dan heb je een uitvoerbaar programma. Dit programma draait dan op één type computer, bijvoorbeeld een Windows PC, of een Macintosh. Thompson heeft samen met Dennis Ritchie de taal C ontworpen en een compiler geschreven voor deze taal. Zo'n compiler kan uiteraard niet in broncode geschreven worden, want om broncode om te zetten in een draaibaar programma heb je immers een compiler nodig! Een "kip en ei" probleem. Ze moesten dus zelf, zonder compiler, een machine-leesbare code schrijven voor de compiler. Toen ze deze (niet zeer uitgebreide) compiler af hadden, konden ze natuurlijk wèl in een programmeertaal een compiler schrijven met allerlei toeters en bellen en die met de simpele compiler compileren. En toen realiseerde Thompson zich het gevaar. Stel, je verandert de broncode van de compiler zo, dat elke keer als het de broncode van een bepaalde soort (bijvoorbeeld een cryptografie-algoritme, of alle bestanden die pgp.c heten) moet compileren, er een achterdeur wordt ingebouwd. Stel dat je nu de broncode van encryptie-software van het internet downloadt. Je controleert braaf de digitale handtekening en je weet zeker dat niemand met de broncode geknoeid heeft. Vervolgens compileer je de software en blijkt er tóch een achterdeur in te zitten. Nu kan je denken, "Maar dat is toch te zien in de broncode van de compiler, immers daar staat ergens "als er cryptosoftware gecompileerd wordt, voeg dan de achterdeur toe". Ook daar had Thompson al het antwoord op. We knoeien nog meer met onze compiler. Behalve de extra routine die cryptoprogramma's aantast als ze door de compiler gecompileerd worden, doen we het volgende: elke keer als we een compiler compileren, voegen we de crypto-aantast-routines aan die nieuwe compiler toe, én onze compiler-aanpassing om compilers aan te tasten. Je hebt nu een soort virus gemaakt dat zichzelf verspreidt onder compilers en cryptosoftware aantast. Nu zul je zeggen, dat we om het probleem te verbergen dit alleen maar erger hebben gemaakt. We hebben nu immers niet één maar twee veranderingen te verbergen in de broncode. Is dat wel zo? We compileren een nieuwe compiler. Deze heeft vervolgens beide aanpassingen om compilers en cryptosoftware aan te tasten. Nu verwijderen we alle veranderingen die we gemaakt hadden voor die aanpassingen uit de broncode, en gebruiken we die "schoongemaakte" compiler om nogmaals een compiler te compileren. En verdwenen is de broncode van onze aanpassingen, ze zijn alleen nog in machine-leesbare taal aanwezig. Vervolgens geven we de compiler (als programma en als broncode) aan iedereen die het wil hebben. In principe kun je de aanpassing nog zien zitten in de machine-leesbare versie van het programma, maar tegenwoordig kan bijna niemand dat soort taal nog lezen, omdat computerchips enorm ingewikkeld zijn. Voordat je een, als computerexpert, zo'n programma helemaal nageplozen hebt, zijn er alweer tien andere programma's die mensen om je heen gebruiken voor veilige communicatie. Uit het voorbeeld mag duidelijk zijn dat er een punt is waar je als eindgebruiker niet meer zeker kunt zijn van de veiligheid van je software. Eigenlijk is het analoog aan de veiligheid van je huis. Dat kun je ook niet helemaal afbreken om te zien of er ergens in de muur een tap zit. Er resten dan twee mogelijkheden. Of je wordt super paranoïde, en draait helemaal door. Of je accepteert de beperkingen en de bijbehorende risico's. Voor software kun je een aantal maatregelen nemen. Als eerste verdient het sterk de voorkeur alleen programma's te gebruiken met broncode. Zoals we gezien hebben is het geen garantie dat er niet geknoeid is, maar het is in elk geval zeer onwaarschijnlijk dat er onbekende achterdeuren in zitten. Ten tweede is het van belang dat niemand je computersysteem zelf benaderen kan (fysiek of via het Internet). Ook dit laaste is weer een onhaalbaar ideaal, maar je kunt in ieder geval je best doen. Zie hiervoor Windows-problemen

Laatst aangepast (zaterdag, 15 mei 2010 19:30)

 

Designed by Hardcorehooligan.nl.